Handgeschreven correspondentie (briefkaart of briefgedeelte).
Origineel
Handgeschreven correspondentie (briefkaart of briefgedeelte). 3 oktober 1941. L. Presser, Plantage Middenlaan 44, Amsterdam (Alhier). № 30/31/1 M. 1911 4/10 A. dam. 3. 10 .41
Geachte Directeur
Sinds 3 weken
geleden heb ik mijn handel opgeheven en ben
werkzaam in het plakken van bandrolen. Ik
verzoek u derhalve mij te ontheffen van
de betaling zijnde f 1,05 per week.
Hopende op een gunstig Hoogachtend
antwoord teeken ik L. Presser.
Pl. Middenlaan 44
Alhier. * Inhoud: De heer L. Presser verzoekt om ontheffing van een wekelijkse betaling van 1 gulden en 5 cent. De reden hiervoor is een ingrijpende wijziging in zijn inkomstenderving: hij heeft zijn zelfstandige handel moeten opgeven en is nu in loondienst als "bandrollenplakker" (het plakken van accijnszegels op tabaksproducten).
* Handschrift: Een verzorgd en duidelijk leesbaar cursief handschrift, kenmerkend voor de eerste helft van de 20e eeuw.
* Toon: De brief is formeel en beleefd, gebruikmakend van destijds gebruikelijke formuleringen zoals "derhalve", "ontheffen" en de afsluiting "teeken ik".
* Administratieve sporen: De diverse nummers en data in de bovenmarge duiden op een systematische verwerking door de ontvangende instantie. * Historische periode: De brief dateert van oktober 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland.
* Locatie en Achternaam: Het adres, Plantage Middenlaan 44, lag midden in de Amsterdamse Joodse buurt. De achternaam Presser is een veelvoorkomende Joodse naam in Amsterdam.
* Sociaal-economisch: In 1941 werden Joodse ondernemers en handelaren door de bezetter stelselmatig uit het economische leven verdrongen via diverse verordeningen (zoals de aanmeldingsplicht van bedrijven). Het "opgeven van de handel" was in deze periode vaak een gedwongen actie. Het werk als bandrollenplakker was dikwijls een vorm van tewerkstelling die via de Joodsche Raad of in werkplaatsen werd geregeld om (voorlopig) vrijgesteld te worden van deportatie.
* Betaling: De betaling van f 1,05 per week betrof waarschijnlijk een verplichte afdracht, zoals een lidmaatschap van een marktvereniging of een specifieke belasting die enkel gold voor zelfstandigen. L. Presser