Archief 745
Inventaris 745-352
Pagina 321
Dossier 29
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtelijke brief (afschrift).

27 november 1941. Van: Hoofdcommissaris van Politie Amsterdam (ondertekend door H. Holsbergen). Aan: Waarschijnlijk de Burgemeester van Amsterdam (geadresseerd als "UEdelachtbare").

Origineel

Ambtelijke brief (afschrift). 27 november 1941. Hoofdcommissaris van Politie Amsterdam (ondertekend door H. Holsbergen). Waarschijnlijk de Burgemeester van Amsterdam (geadresseerd als "UEdelachtbare"). No.30/52/1 M.1941 6/12 AFSCHRIFT.

No.1130 L.M.1941 No.1671 A.Z.1941.
HOOFDBUREAU VAN POLITIE. Amsterdam, 27 November 1941.

Groep B.
Doss.M.2a.
Lr.S.No.15813/1941.

Hierbij heb ik de eer UEdelachtbare te doen toekomen afschrift van een schrijven van den Hoofdinspecteur van Politie, Chef in de 4e Sectie, 2e Afdeeling, alhier, betreffende de "lompenmarkt" en de afrastering van de Joodsche dagmarkt op het Waterlooplein.
Mij aan den inhoud der bijlage referte veroorlovend, moge ik de hierin naar voren gebrachte punten wel in andere overweging aanbevelen.
Wellicht ware van de zijde van den Dienst der Publiek Werken alvast een afrastering, als aan het slot van de bijlage bedoeld, aan te brengen.
Aan het schrijven - waarin abusievelijk sprake zal zijn van den vroegeren Wethouder De Miranda - zij nog toegevoegd, dat sinds April 1932 was toegelaten, dat de lompenventers na drie uur des namiddags standplaats innamen op het Waterlooplein, langs het gedeelte van den speeltuin, gelegen tegenover de perceelen 66 tot en met 104, terwijl zij vanaf einde Maart 1938, ter tegemoetkoming aan verkeersbezwaren en ter ontlasting van het Waterlooplein, voor zoover noodig, tevens werden geplaatst in de Lange Houtstraat (vide de stukken No.1583 A.Z.1931/880 L.M.1932 en 604 A.Z.1938).
Op mogelijke verplaatsing van deze "lompenmarkt" had o.m. betrekking het Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 22 October 1937 No.595c A.Z.1937.
Zoowel de Zwanenburgwal, tusschen de Zwanenburgerstraat en het verlengde van den Noordelijken rijweg van het Waterlooplein, als het daarbij aansluitende gedeelte van het Waterlooplein is thans aangewezen als plaats voor het houden van een algemeene dagmarkt; het hieraan grenzende gedeelte van dit plein, gelegen tusschen de Mozes en Aäronkerk en den speeltuin, als tijdelijke hulpmarkt van de algemeene dagmarkt.

De Hoofdcommissaris van Politie,
enz.

w.g.H.Holsbergen.

z.o.z. * Administratieve context: De brief is een formeel geleidebiljet waarbij een rapport van een lagere politiefunctionaris (Hoofdinspecteur) wordt doorgeleid naar het stadsbestuur. De Hoofdcommissaris adviseert de voorgestelde maatregelen uit te voeren.
* Inhoudelijke kern: Er wordt gesproken over de logistieke inrichting van de markten op en rond het Waterlooplein. Twee zaken vallen op: de verplaatsing van de "lompenmarkt" (gebruikte goederen) en het aanbrengen van een afrastering rondom de "Joodsche dagmarkt".
* Taalgebruik: De tekst hanteert de destijds gebruikelijke ambtelijke spelling (bijv. "UEdelachtbare", "schrijven", "namiddags"). De term "abusievelijk" wordt gebruikt om een foutieve verwijzing naar de voormalige wethouder De Miranda in de bijlage te corrigeren.
* Topografie: De brief noemt specifieke locaties in de Amsterdamse Jodenbuurt: Waterlooplein (percelen 66-104), Lange Houtstraat, Zwanenburgwal, Zwanenburgerstraat en de Mozes en Aäronkerk. Dit document stamt uit november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De historische context is cruciaal voor het begrijpen van de tekst:

  1. Segregatie: In de loop van 1941 intensiveerden de nazi's de isolatie van de Joodse bevolking. Vanaf juli 1941 werden Joden verbannen van algemene markten en werden er specifieke "Joodse markten" aangewezen, zoals die op het Waterlooplein. De in de brief genoemde "afrastering" is een fysiek middel om deze segregatie te handhaven en controle uit te oefenen.
  2. S.R. de Miranda: De verwijzing naar "den vroegeren Wethouder De Miranda" is wrang. Salomon (Monne) de Miranda was een zeer populaire Joodse wethouder die veel betekende voor de woningbouw en stadsvernieuwing in Amsterdam. Hij werd door de bezetter uit zijn functie gezet. Ten tijde van deze brief was hij reeds door de nazi's vervolgd; hij zou in 1942 in concentratiekamp Amersfoort worden vermoord.
  3. Bureaucratisering van vervolging: Het document laat zien hoe de reguliere politie en gemeentelijke diensten (zoals Publieke Werken) betrokken waren bij de uitvoering van maatregelen die de Joodse bevolking isoleerden. Wat in de tekst klinkt als een logistieke marktverplaatsing, was in werkelijkheid onderdeel van het grotere proces van gettoisering en uitsluiting.

Samenvatting

  • Administratieve context: De brief is een formeel geleidebiljet waarbij een rapport van een lagere politiefunctionaris (Hoofdinspecteur) wordt doorgeleid naar het stadsbestuur. De Hoofdcommissaris adviseert de voorgestelde maatregelen uit te voeren.
  • Inhoudelijke kern: Er wordt gesproken over de logistieke inrichting van de markten op en rond het Waterlooplein. Twee zaken vallen op: de verplaatsing van de "lompenmarkt" (gebruikte goederen) en het aanbrengen van een afrastering rondom de "Joodsche dagmarkt".
  • Taalgebruik: De tekst hanteert de destijds gebruikelijke ambtelijke spelling (bijv. "UEdelachtbare", "schrijven", "namiddags"). De term "abusievelijk" wordt gebruikt om een foutieve verwijzing naar de voormalige wethouder De Miranda in de bijlage te corrigeren.
  • Topografie: De brief noemt specifieke locaties in de Amsterdamse Jodenbuurt: Waterlooplein (percelen 66-104), Lange Houtstraat, Zwanenburgwal, Zwanenburgerstraat en de Mozes en Aäronkerk.

Historische Context

Dit document stamt uit november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De historische context is cruciaal voor het begrijpen van de tekst:

  1. Segregatie: In de loop van 1941 intensiveerden de nazi's de isolatie van de Joodse bevolking. Vanaf juli 1941 werden Joden verbannen van algemene markten en werden er specifieke "Joodse markten" aangewezen, zoals die op het Waterlooplein. De in de brief genoemde "afrastering" is een fysiek middel om deze segregatie te handhaven en controle uit te oefenen.
  2. S.R. de Miranda: De verwijzing naar "den vroegeren Wethouder De Miranda" is wrang. Salomon (Monne) de Miranda was een zeer populaire Joodse wethouder die veel betekende voor de woningbouw en stadsvernieuwing in Amsterdam. Hij werd door de bezetter uit zijn functie gezet. Ten tijde van deze brief was hij reeds door de nazi's vervolgd; hij zou in 1942 in concentratiekamp Amersfoort worden vermoord.
  3. Bureaucratisering van vervolging: Het document laat zien hoe de reguliere politie en gemeentelijke diensten (zoals Publieke Werken) betrokken waren bij de uitvoering van maatregelen die de Joodse bevolking isoleerden. Wat in de tekst klinkt als een logistieke marktverplaatsing, was in werkelijkheid onderdeel van het grotere proces van gettoisering en uitsluiting.

Locaties

Amsterdam.

Gerelateerde Documenten 2