Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 16 januari 1941. M. Achttienribbe, Gerard Doustraat 174, Amsterdam. De Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. $N^o 31/7/1 M. 1341^{17}$ \
Amsterdam 16-1-41.
Aan de Directeur van het marktwezen \
te Amsterdam.
Weled: Heer.
Ter voorkoming van moei- \
lijkheden en ter voorkoming van in- \
trekking van mijn vergunning ver- \
zoek ik u mij 8 weken uitstel van \
stallen te willen geven omtrent de na- \
volgende rede. \
Daar het voor mij zeer \
moeilijk is thans, gezien de huidige \
omstandigheden, goederen in te kopen. \
en ik dus geen voldoende voorraad \
aan goederen heb voor de markt. \
Mijn financieele verplich- \
ting zal ik voldoen, en na acht weken. \
zal ik wederom geregeld uitstallen. \
Uw antwoord, waarin u \
mijn het gevraagde toestaat tege- \
moet ziend, verblijf ik inmiddels
[Handtekening]
afz: M Achttienribbe \
Ger. Douwstr: 174. \
art: $2^e$ handskleeding \
$N^o: 360-u.$ De brief is een formeel verzoek van een marktkoopman aan de Amsterdamse marktautoriteiten. De kern van de brief is een aanvraag voor een ontheffing van de verplichting om op de markt te staan ("uitstel van stallen") voor een periode van acht weken.
De afzender, M. Achttienribbe, voert als reden aan dat het door de "huidige omstandigheden" zeer moeilijk is om aan nieuwe handelswaar te komen. Hij handelt in tweedehands kleding, een sector die in de winter van 1941 al zwaar getroffen werd door schaarste, distributiemaatregelen en de economische ontwrichting door de bezetting.
Opvallend is de nadruk op het blijven voldoen aan de financiële verplichtingen (het betalen van het marktgeld). In die tijd kon het niet-stallen zonder geldige reden leiden tot het direct intrekken van de felbegeerde marktvergunning. Door expliciet te beloven de kosten te blijven dragen, hoopt de schrijver zijn plek op de markt voor de toekomst veilig te stellen. Deze brief is geschreven in januari 1941, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een louter administratieve kwestie lijkt, krijgt deze een diepere lading wanneer we kijken naar de persoon achter de brief.
De afzender is Meyer Achttienribbe (geboren in 1893). Hij was een Joodse marktkoopman die met zijn gezin woonde in de Gerard Doustraat 174, in de Amsterdamse Pijp, op steenworp afstand van de Albert Cuypmarkt. Januari 1941 was een uiterst gespannen periode voor Joodse Amsterdammers; de eerste anti-Joodse maatregelen waren al van kracht en de sfeer in de stad zou een maand later escaleren tijdens de razzia's en de Februaristaking.
Het document illustreert de dagelijkse strijd van Joodse kleine zelfstandigen om hun nering te behouden in een tijd waarin hun bewegingsvrijheid en bestaansrecht steeds verder werden ingeperkt. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Meyer Achttienribbe en zijn vrouw uiteindelijk zijn gedeporteerd en in 1943 in vernietigingskamp Sobibor zijn vermoord. Dit schrijven is daarmee een van de laatste tastbare getuigenissen van zijn pogingen om onder bezettingstijd zijn normale leven en werk voort te zetten. M. Achttienribbe Marktwezen