Archief 745
Inventaris 745-352
Pagina 457
Dossier 17
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte officiële brief (doorslag of kopie op gelinieerd papier).

6 augustus 1941. Van: "De Directeur" (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, gezien de inhoud).

Origineel

Getypte officiële brief (doorslag of kopie op gelinieerd papier). 6 augustus 1941. "De Directeur" (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, gezien de inhoud). den Heer B. Polak,
Kleine Houtstraat 54,
H a a r l e m.

33/33/3 M 6 Augustus 1941.

Naar aanleiding van Uw brief ingekomen op 30 Juli jl.
verleen ik U hierbij gedurende drie maanden na dato dezes toe-
stemming om Uw plaats op de markt Noordermarkt niet te bezet-
ten.

                                    De Directeur, Het document is een korte, zakelijke mededeling waarin een verzoek wordt ingewilligd. De heer B. Polak, woonachtig in Haarlem, had op 30 juli 1941 schriftelijk verzocht om zijn marktplaats op de Amsterdamse Noordermarkt tijdelijk niet te hoeven bezetten. De directeur verleent hiervoor dispensatie voor een periode van drie maanden, ingaande op 6 augustus 1941.

In de toenmalige marktverordeningen was het doorgaans verplicht om een toegewezen standplaats persoonlijk en continu te bezetten. Wie zonder geldige reden of officiële toestemming afwezig was, liep het risico de vergunning voor de standplaats te verliezen. Deze brief diende voor de heer Polak dan ook als bewijs dat zijn afwezigheid geautoriseerd was. De historische context van dit document is cruciaal voor de interpretatie. De datum (augustus 1941) valt midden in de Duitse bezetting van Nederland. De achternaam "Polak" duidt op een Joodse achtergrond.

Gedurende 1941 werden Joodse burgers door de bezetter stelselmatig uit het openbare en economische leven verdreven. Voor Joodse marktkraamhouders werd het werken steeds moeilijker door pesterijen en beperkende maatregelen. In september 1941, slechts een maand na deze brief, werd het Joden definitief verboden om op reguliere markten te staan. Zij mochten hun handel alleen nog drijven op speciaal aangewezen "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein of de Gaaspstraat in Amsterdam).

Het verzoek van de heer Polak om zijn plaats drie maanden niet te bezetten, kan een reactie zijn op de toenemende dreiging, discriminatie of fysieke onmogelijkheid om zijn werk nog langer op de Noordermarkt uit te oefenen. Het document is daarmee een stille getuige van de bureaucratische afwikkeling van de uitsluiting van Joodse burgers van hun middelen van bestaan aan de vooravond van de grootschalige deportaties.

Samenvatting

Het document is een korte, zakelijke mededeling waarin een verzoek wordt ingewilligd. De heer B. Polak, woonachtig in Haarlem, had op 30 juli 1941 schriftelijk verzocht om zijn marktplaats op de Amsterdamse Noordermarkt tijdelijk niet te hoeven bezetten. De directeur verleent hiervoor dispensatie voor een periode van drie maanden, ingaande op 6 augustus 1941.

In de toenmalige marktverordeningen was het doorgaans verplicht om een toegewezen standplaats persoonlijk en continu te bezetten. Wie zonder geldige reden of officiële toestemming afwezig was, liep het risico de vergunning voor de standplaats te verliezen. Deze brief diende voor de heer Polak dan ook als bewijs dat zijn afwezigheid geautoriseerd was.

Historische Context

De historische context van dit document is cruciaal voor de interpretatie. De datum (augustus 1941) valt midden in de Duitse bezetting van Nederland. De achternaam "Polak" duidt op een Joodse achtergrond.

Gedurende 1941 werden Joodse burgers door de bezetter stelselmatig uit het openbare en economische leven verdreven. Voor Joodse marktkraamhouders werd het werken steeds moeilijker door pesterijen en beperkende maatregelen. In september 1941, slechts een maand na deze brief, werd het Joden definitief verboden om op reguliere markten te staan. Zij mochten hun handel alleen nog drijven op speciaal aangewezen "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein of de Gaaspstraat in Amsterdam).

Het verzoek van de heer Polak om zijn plaats drie maanden niet te bezetten, kan een reactie zijn op de toenemende dreiging, discriminatie of fysieke onmogelijkheid om zijn werk nog langer op de Noordermarkt uit te oefenen. Het document is daarmee een stille getuige van de bureaucratische afwikkeling van de uitsluiting van Joodse burgers van hun middelen van bestaan aan de vooravond van de grootschalige deportaties.

Gerelateerde Documenten 2