Getypte brief (doorslag/archiefkopie) op grijs papier.
Origineel
Getypte brief (doorslag/archiefkopie) op grijs papier. 24 mei 1941. De Directeur (vermoedelijk van de gemeentelijke Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Handgeschreven in blauwe inkt:] Extra
[Getypt:] HG.
den Heer E. Polak,
Nwe.Uilenburgerstraat 48 II,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
33/35/2 M. [tab] 24 Mei 1941.
Naar aanleiding van Uw brief ingekomen op 3 dezer verleen
ik U hierbij gedurende twee maanden na dato dezes toestemming geen
plaats op de markt Westerstraat in te nemen.
De Directeur, De brief is een officiële kennisgeving aan de heer E. Polak. Hij krijgt hiermee formeel toestemming om gedurende een periode van twee maanden (vanaf 24 mei 1941) zijn vaste standplaats op de markt in de Westerstraat onbezet te laten.
De formulering "toestemming geen plaats... in te nemen" is ambtelijk taalgebruik dat aangeeft dat marktkooplieden normaal gesproken de plicht hadden hun plek te bezetten om hun vergunning te behouden. Door deze ontheffing aan te vragen en te krijgen, stelde Polak zijn rechten op de standplaats veilig voor een periode van afwezigheid. De aanvraag hiertoe was blijkens de tekst op 3 mei 1941 binnengekomen bij de gemeente. De datum van de brief, 24 mei 1941, plaatst dit document midden in de Duitse bezetting van Nederland. De context is hierdoor zeer beladen.
De heer E. Polak woonde in de Nieuwe Uilenburgerstraat, een straat in het hart van de toenmalige Joodse buurt van Amsterdam. Gezien zijn achternaam en woonplaats is het vrijwel zeker dat Polak een Joodse marktkoopman was. In de maanden voorafgaand aan deze brief (februari 1941) hadden de eerste grote razzia's in deze buurt plaatsgevonden, gevolgd door de Februaristaking.
De anti-Joodse maatregelen van de bezetter werden in deze periode in hoog tempo verscherpt. Joodse marktkooplieden werden steeds vaker geïntimideerd, van algemene markten geweerd of zij vonden het zelf niet langer veilig om hun handel op een publieke plek als de Westerstraatmarkt (in de Jordaan) uit te oefenen. De aanvraag om twee maanden afwezig te mogen blijven kan wijzen op ziekte, maar is in mei 1941 waarschijnlijker een direct gevolg van de onhoudbare en gevaarlijke situatie voor Joodse Amsterdammers in de openbare ruimte. E. Polak Marktwezen