Doorslag (carbonkopie) van een officiële brief.
Origineel
Doorslag (carbonkopie) van een officiële brief. 3 oktober 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markthallen Amsterdam). Den Heer M.v.d. Molen, Dorpstraat 393, Broek op Langedijk. [Handgeschreven linksboven:] Verzonden 4/10
[Handgeschreven rechtsboven, deels onleesbaar:] [..] Bodeman
VD/HG.
den Heer M.v.d.Molen,
Dorpstraat 393,
BROEK OP LANGENDIJK.
37/98/2 M.
3 October 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 25 September jl. bericht ik U, dat Uw naam is geplaatst op de lijst van gegadigden voor objecten der Centrale Markt.
Te zijner tijd zal, indien objecten beschikbaar komen, op Uw aanvrage nader worden teruggekomen.
De Directeur, * Inhoud: De brief is een formele bevestiging dat de heer M. van der Molen is opgenomen op een wachtlijst voor "objecten" (waarschijnlijk marktkramen, opslagruimtes of percelen) op het terrein van de Centrale Markt. Er wordt geen concrete toezegging gedaan; de aanvraag wordt pas behandeld zodra er iets vrijkomt.
* Vorm: Het betreft een standaard zakelijke correspondentie uit de vroege oorlogsjaren. De stijl is afstandelijk en procedureel. De handgeschreven notitie "Verzonden 4/10" geeft aan dat de brief de dag na dagtekening daadwerkelijk is verstuurd.
* Referenties: De codes 'VD/HG' en '37/98/2 M.' zijn interne archief- en referentienummers voor de administratie van de betreffende dienst. * Centrale Markt: De Centrale Markthallen in Amsterdam (geopend in 1934) waren het epicentrum van de voedseldistributie in de regio. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de controle op de handel en distributie van levensmiddelen uiterst streng. Een plek op de Centrale Markt was essentieel voor handelaren.
* Broek op Langedijk: De ontvanger is gevestigd in Broek op Langedijk, een dorp dat destijds wereldberoemd was om zijn groenteveiling (de oudste doorvaartveiling ter wereld). Het is logisch dat een handelaar of kweker uit dit tuinbouwgebied interesse had in een afzetpunt of faciliteiten op de Amsterdamse Centrale Markt.
* Tijdsbeeld: Oktober 1941 valt midden in de bezettingstijd. Hoewel de brief een routineuze administratieve handeling lijkt, vonden dergelijke toewijzingen plaats onder toezicht van de bezettingsautoriteiten, waarbij in deze periode Joodse handelaren reeds systematisch van de markten werden geweerd.