Getypt afschrift van een brief.
Origineel
Getypt afschrift van een brief. 30 oktober 1941. Arie Goedhart (Wittekade 98 II, Amsterdam). NED. VISSCHERIJCENTRALE
AFSCHRIFT.
Amsterdam, 30 October 1941.
Directeur Ned. Visscherijcentrale
's-GRAVENHAGE.
Wel Ed. Heer,
Hiermede kom ik tot U met een vriendelijk verzoek mij in te schakelen bij de toewijzing van zoetwatervisch, hier ter stede, Gemeente Vischafslag.
Ik ben namelijk in 1939/1940 gemobiliseerd geweest voor mij diensttijd en heb daarna als chafeur bij de N.I.K.K gewerkt.
Voor 1940 heb ik stand-plaatshouder geweest met visch, wat ik de laatste 3 maanden weer doen; ik had een vaste standplaats op de markt . De laatste tijd betrek ik mij visch van mij vader IJ. Goedhart. Ook zoetwatervisch, maar nu de afzenders van mij vader de visch direkt naar de Gemeente vischafslag moet zenden heb hij geen zoetwatervisch meer natuurlijk, ik ben getrouwd en wat moet ik nu te koop nemen, ik moet toch leven.
De chef van de Gemeete Vischafslag verteld mij, omdat ik in 1940 geen handel gedaan heb krijg ik geen visch, ik kan toch niet helpen dat ik in dienst moest?
Ik hoop dan ook, dat U mij in dezen terzijde zal zijn.
Bij voorbaat mij dank,
w.g. Arie Goedhart,
Wittekade 98 II
Voor eensluidend afschrift,
NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE
[Handtekening]
Directeur De brief is een verzoekschrift van een kleine handelaar aan een centraal overheidsorgaan. De kern van het probleem is een bureauctratische cirkelredenering: de afzender, Arie Goedhart, krijgt geen vis toegewezen omdat hij in het referentiejaar 1940 geen handel dreef. De reden dat hij in 1940 niet werkte, was echter dat hij zijn dienstplicht vervulde tijdens de mobilisatie en de Duitse inval.
De tekst bevat diverse taalfouten ("chafeur", "Gemeete", "mij vader", "verteld" met een d) die duiden op een schrijver uit de arbeidersklasse die probeert formeel te corresponderen. De toon is beleefd maar dwingend ("ik moet toch leven"), wat de groeiende wanhoop weerspiegelt van kleine zelfstandigen die tijdens de bezetting klem kwamen te zitten tussen nieuwe distributieregels. Het document dateert uit oktober 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werd de economie steeds meer gecentraliseerd en onderworpen aan distributieregels om schaarste te beheersen en de Duitse oorlogsmachine te bevoorraden.
De Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC) werd door de bezetter opgericht (of voortgezet uit eerdere crisisorganen) om de gehele vissector te controleren, van vangst tot consumptie. Handelaren waren volledig afhankelijk van toewijzingen door dergelijke centrale organen. De brief illustreert de persoonlijke gevolgen van de mobilisatie (1939-1940) voor jonge mannen die na hun diensttijd hun oude vak niet meer konden oppakken vanwege de nieuwe, starre regelgeving. De genoemde afkorting N.I.K.K. staat vermoedelijk voor het Nederlands Instituut voor de Keuring van Kwaliteitsproducten, een instantie die nauw betrokken was bij de distributie en kwaliteitsbewaking tijdens de oorlogsjaren.