Ambtsnotitie / Rapportage (klad).
Origineel
Ambtsnotitie / Rapportage (klad). 5 januari 1942. [In zwarte inkt:]
5 Levie Biet heeft
winkel in Th. de Bockstraat en
staat buiten zijn deur (heeft
uitstalling buiten de deur)
ook te verkoopen.
6 Joodsche vrouw van Levie Biet
heeft vaste
staanplaats in de Jan
Evertsenstraat.
[In rode inkt:]
Bovenstaande punten
met R. de Maar besproken
met verzoek om bericht
5-1-42
[Paraaf, mogelijk 'ay'] Het document bevat twee genummerde punten (5 en 6) die betrekking hebben op de economische activiteiten van het Joodse echtpaar Biet in Amsterdam-West.
* Punt 5: Meldt dat Levie Biet een winkel heeft in de Theophile de Bockstraat en dat hij goederen buiten de winkel (op de stoep) te koop aanbiedt.
* Punt 6: Meldt dat zijn vrouw een vaste staanplaats (marktkraam) heeft in de Jan Evertsenstraat.
* De rode aantekening: Geeft aan dat deze informatie is besproken met "R. de Maar". Reindert de Maar was een beruchte inspecteur van de Amsterdamse politie, werkzaam bij Bureau Joodsche Zaken. De notitie "met verzoek om bericht" duidt op een opdracht tot nader onderzoek of handhaving. Dit document stamt uit januari 1942, een periode waarin de Duitse bezetter de vrijheid van Joodse burgers steeds verder inperkte. Joden werden stap voor stap uit het economische leven geweerd; zo werden Joodse marktkooplieden en winkeliers onderworpen aan strenge restricties en mochten zij vanaf 1941 alleen nog op specifieke Joodse markten staan.
Levie Biet (geboren in 1898) was inderdaad een "koopman in ongeregelde goederen". Hij woonde met zijn gezin in de Jan Evertsenstraat 108-III. Dit type rapportages werd vaak opgesteld door politieagenten of collaborateurs om overtredingen van de anti-Joodse verordeningen (zoals het verbod op straathandel of onjuiste uitstallingen) te rapporteren. Levie Biet, zijn vrouw Betje Biet-Swaab en hun kinderen zijn in 1943 in de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz vermoord. Dergelijke administratieve notities vormden vaak het begin van het traject van uitsluiting en uiteindelijke deportatie. R. de Maar Politie
Samenvatting
Het document bevat twee genummerde punten (5 en 6) die betrekking hebben op de economische activiteiten van het Joodse echtpaar Biet in Amsterdam-West.
* Punt 5: Meldt dat Levie Biet een winkel heeft in de Theophile de Bockstraat en dat hij goederen buiten de winkel (op de stoep) te koop aanbiedt.
* Punt 6: Meldt dat zijn vrouw een vaste staanplaats (marktkraam) heeft in de Jan Evertsenstraat.
* De rode aantekening: Geeft aan dat deze informatie is besproken met "R. de Maar". Reindert de Maar was een beruchte inspecteur van de Amsterdamse politie, werkzaam bij Bureau Joodsche Zaken. De notitie "met verzoek om bericht" duidt op een opdracht tot nader onderzoek of handhaving.
Historische Context
Dit document stamt uit januari 1942, een periode waarin de Duitse bezetter de vrijheid van Joodse burgers steeds verder inperkte. Joden werden stap voor stap uit het economische leven geweerd; zo werden Joodse marktkooplieden en winkeliers onderworpen aan strenge restricties en mochten zij vanaf 1941 alleen nog op specifieke Joodse markten staan.
Levie Biet (geboren in 1898) was inderdaad een "koopman in ongeregelde goederen". Hij woonde met zijn gezin in de Jan Evertsenstraat 108-III. Dit type rapportages werd vaak opgesteld door politieagenten of collaborateurs om overtredingen van de anti-Joodse verordeningen (zoals het verbod op straathandel of onjuiste uitstallingen) te rapporteren. Levie Biet, zijn vrouw Betje Biet-Swaab en hun kinderen zijn in 1943 in de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz vermoord. Dergelijke administratieve notities vormden vaak het begin van het traject van uitsluiting en uiteindelijke deportatie.