Archief 745
Inventaris 745-362
Pagina 120
Dossier 2C
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtelijke brief/nota betreffende kwijtschelding van marktgeld.

29 december 1941 (met administratieve aantekeningen van 2 januari 1942).

Origineel

Ambtelijke brief/nota betreffende kwijtschelding van marktgeld. 29 december 1941 (met administratieve aantekeningen van 2 januari 1942). Kwijtschelding marktgeld
C.M. t.n.v. den
tuinder J. Postuma.

A’dam, 29/12 1941
W.L.M.
2/1/’42 [paraaf]

Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat den tuinder J. Postuma, Muidersstraatweg 69, Diemen ~~heeft~~ op grond van het feit, dat zijn tuin geïnundeerd is geweest, over 1940 kwijtschelding, resp. restitutie van het door hem verschuldigde plaatsgeld en entreegeld voor het innemen van een tuindersplaats op de C.M. is verleend ten bedrage van f. 33,33 (besluit B. en W. dd. 20.2. ’41 no. 213 L 17-I)

Wegens de verplichting tot het veilen van zijn producten sedert 5/5 1941 heeft hij over het jaar 1941 kwijtschelding resp. restitutie gekregen tot een bedrag van f. 65,55 (vide besluit B. en W. dd. 21/11 ’41 No. 929 L 17-I). Totaal f. 98,88.

Postuma had over de jaren 1940 en 1941 moeten betalen:
plaatsgeld : 2 x 90.- | 180.-
entreegeld : 2 x 10.- | 20.-
| ------
| 200.-
Hiervan heeft hij slechts het entreegeld voldaan: 20.-
| ------
| 180.- | 180.-
| ------
Zoodat hij over bovengenoemde jaren nog een schuld heeft van f. 81,12. [Berekening: 180 - 98,88 = 81,12]

Als gevolg van de inundatie is de tuin van Postuma heel zeer verarmd; de productie was gering en de kwaliteit der producten minderwaardig. Van Januari tot 5 Mei 1941 heeft hij als gevolg hiervan slechts op 6 dagen van zijn plaats op de C.M. gebruik kunnen maken. Hij verzocht daarom hem voor zijn gehele schuld ontheffing te verlenen, welk verzoek ik in dit bijzondere geval op billijkheidsgronden meen te moeten ondersteunen.

Ik geef U mitsdien beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat bij besluit van den Burg. ingevolge het bepaalde in art. 10 van de Verord. “W. Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden”, op gronden van billijkheid aan J. Postuma voornoemd kwijtschelding van marktgeld wordt verleend ten bedrage van f 81,12. Dit document is een ambtelijk advies gericht aan het gemeentebestuur van Amsterdam (waarschijnlijk de directeur van de Centrale Markt of direct aan de Burgemeester). Het betreft een schrijnend geval van een tuinder uit Diemen wiens bedrijfsvoering ernstig was ontregeld.

De kern van de zaak is dat de tuinder zijn schulden aan de Centrale Markt (C.M.) niet kan betalen omdat zijn land "geïnundeerd" (onder water gezet) is geweest. Hoewel er reeds gedeeltelijke kwijtscheldingen waren verleend (totaal f 98,88), bleef er een restschuld van f 81,12 over. De schrijver van de brief pleit voor volledige kwijtschelding van dit restant op basis van "billijkheidsgronden". De argumenten hiervoor zijn de verarmde grond, de slechte kwaliteit van de overgebleven producten en het feit dat de tuinder in de eerste vier maanden van 1941 slechts zes dagen op de markt heeft kunnen staan.

De berekening is helder opgezet: de totale schuld over twee jaar was 200 gulden. Na aftrek van betaald entreegeld en eerdere kwijtscheldingen bleef het gevraagde bedrag over. De verwijzing naar "art. 10 van de Verordening" geeft de juridische basis aan waarop de burgemeester bevoegd is deze uitzondering te maken. Het document dateert van december 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De genoemde "inundatie" verwijst zeer waarschijnlijk naar de opzettelijke onderwaterzettingen in mei 1940 (als onderdeel van de verdediging van de Vesting Holland) of naar wateroverlast als indirect gevolg van oorlogshandelingen en verwaarloosd waterbeheer in de beginjaren van de oorlog.

De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam waren in die tijd het kloppende hart van de voedseldistributie in de regio. Voor kleine zelfstandige tuinders uit omliggende gemeenten zoals Diemen was de toegang tot deze markt essentieel voor hun overleving. Het document illustreert de economische kwetsbaarheid van individuele voedselproducenten tijdens de oorlogsjaren en de bureaucratische weg die bewandeld moest worden om coulance te verkrijgen bij de overheid.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijk advies gericht aan het gemeentebestuur van Amsterdam (waarschijnlijk de directeur van de Centrale Markt of direct aan de Burgemeester). Het betreft een schrijnend geval van een tuinder uit Diemen wiens bedrijfsvoering ernstig was ontregeld.

De kern van de zaak is dat de tuinder zijn schulden aan de Centrale Markt (C.M.) niet kan betalen omdat zijn land "geïnundeerd" (onder water gezet) is geweest. Hoewel er reeds gedeeltelijke kwijtscheldingen waren verleend (totaal f 98,88), bleef er een restschuld van f 81,12 over. De schrijver van de brief pleit voor volledige kwijtschelding van dit restant op basis van "billijkheidsgronden". De argumenten hiervoor zijn de verarmde grond, de slechte kwaliteit van de overgebleven producten en het feit dat de tuinder in de eerste vier maanden van 1941 slechts zes dagen op de markt heeft kunnen staan.

De berekening is helder opgezet: de totale schuld over twee jaar was 200 gulden. Na aftrek van betaald entreegeld en eerdere kwijtscheldingen bleef het gevraagde bedrag over. De verwijzing naar "art. 10 van de Verordening" geeft de juridische basis aan waarop de burgemeester bevoegd is deze uitzondering te maken.

Historische Context

Het document dateert van december 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De genoemde "inundatie" verwijst zeer waarschijnlijk naar de opzettelijke onderwaterzettingen in mei 1940 (als onderdeel van de verdediging van de Vesting Holland) of naar wateroverlast als indirect gevolg van oorlogshandelingen en verwaarloosd waterbeheer in de beginjaren van de oorlog.

De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam waren in die tijd het kloppende hart van de voedseldistributie in de regio. Voor kleine zelfstandige tuinders uit omliggende gemeenten zoals Diemen was de toegang tot deze markt essentieel voor hun overleving. Het document illustreert de economische kwetsbaarheid van individuele voedselproducenten tijdens de oorlogsjaren en de bureaucratische weg die bewandeld moest worden om coulance te verkrijgen bij de overheid.

Kooplieden in dit dossier 10

Blei, meun, sneep en winde boven ½ kg en kroeskarper
Bot, andere dan Noordzeebot *0.15* [hs]
Edelkarper (levend) *0.45* [hs]
Grossiers en personeel f 642.-
A. Geboorte f. 9.600.-
P.H. Passchier " 4.160.-
Snoek en barbeel *0.12* [hs]
Voorn en kolblei beneden 20 cm en serpeling
M. Sicma *0.20* [hs]

Gerelateerde Documenten 6