Archiefdocument
Origineel
17 april 1941 De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of een verwante gemeentelijke dienst) Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam Bladzijde 3
XXXXX
64/8/1
Amsterdam.
17 April x 41
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen.
Ik heb hier tegenover gesteld, hetgeen ik den heer Dijkstra, Voorzitter van "Onderling Belang" reeds in een telefonisch onderhoud op Vrijdag 11 April had meegedeeld, dat de toelating van Dikstaal geheel in overeenstemming was met de in November 1940 gemaakte afspraak, dat ik echter bereid was voor de toekomst voor wat betreft de toelating van nieuwe grossiers, in overleg met de Commissie, bovenbedoelde nieuwe richtlijnen op te stellen en op grond hiervan elk nieuw verzoek om toelating tot de Centrale Markt met den handel te overleggen. Desniettemin handhaafden de heeren Nooy c.s. hun eisch, dat Dikstaal niet tot de Centrale Markt moest worden toegelaten. Van dezen gang van zaken heb ik U op 15 dezer reeds mondeling op de hoogte gesteld.
Gevolg gevende aan de door U op laatstgenoemden datum gegeven opdracht, geef ik U thans beleefd in overweging de onderteekening van het onderhavige contract door den heer Regeeringscommissaris voor Amsterdam te willen bevorderen en mij het daarna te doen retourneeren; dezerzijds kan dan voor registratie worden zorggedragen.
Ik kan U tenslotte nog mededeelen, dat ik op 16 dezer terzake nog een onderhoud heb gehad met de heeren Dijkstra en Draaisma, respectievelijk voorzitter en secretaris van de groentegrossiersorganisatie "Onderling Belang", die mij verklaard hebben, dat van hun zijde geen verdere bezwaren tegen de toelating van Dikstaal zullen worden gemaakt.
De Directeur, Dit document is het derde blad van een ambtelijke correspondentie over een administratief geschil betreffende de Centrale Markt in Amsterdam. De kern van het schrijven is de toelating van een specifieke grossier, genaamd Dikstaal.
Er is sprake van een belangenconflict: terwijl de Directeur stelt dat de toelating conform eerdere afspraken uit november 1940 is, was er verzet vanuit de gevestigde handel (de heren Nooy c.s.). De Directeur heeft echter bemiddeld met de groentegrossiersorganisatie "Onderling Belang". Uit de tekst blijkt dat deze organisatie haar bezwaren heeft laten varen. De Directeur verzoekt de Wethouder nu om de formele ondertekening door de Regeringscommissaris te bespoedigen, zodat het contract geregistreerd kan worden. De toon is strikt zakelijk, hiërarchisch en procedureel. De datum (17 april 1941) plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog. De voedselvoorziening ("Levensmiddelen") was in deze tijd een cruciaal en zwaar gereguleerd onderdeel van het openbare leven. De Centrale Markt van Amsterdam speelde hierin een spilfunctie.
De vermelding van de "Regeeringscommissaris voor Amsterdam" is historisch saillant. In maart 1941, kort na de Februaristaking, ontsloeg de Duitse bezetter de Amsterdamse gemeenteraad en wethouders (hoewel de titel 'Wethouder' in deze overgangsfase blijkbaar nog ambtelijk gebruikt werd) en stelde een regeringscommissaris aan (Edward Voûte) om de stad naar nationaalsocialistisch model te besturen. Dit document toont de ambtelijke realiteit van die tijd: de dagelijkse administratie en handelsgeschillen liepen door, maar de uiteindelijke autoriteit lag bij de door de bezetter aangestelde commissaris. "Onderling Belang" was de bestaande belangenvereniging voor grossiers die in deze gereguleerde markt trachtte haar positie te behouden.