Brief (doorslag/kopie), bladzijde 2.
Origineel
Brief (doorslag/kopie), bladzijde 2. 18 april 1941. Directeur van het Marktwezen (Amsterdam). Bladzijde No.2 van brief No.64/8/1 M. d.d. 18 April 1941 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.
Tijdens de besprekingen over den winteropslag van groente in Januari jl. is voor de goede orde met bestuursleden der organisaties nog terloops gesproken over de toelating van J.P.Kuil, die met ingang van 1 Februari jl. een pakhuis op de Centrale Markt wenschte te huren. Genoemde Kuil kocht voorheen groenten op diverse veilingen in het land, welke hij bij winkeliers aan huis verkocht, een vorm van handel, welke dezerzijds zooveel mogelijk werd tegengegaan. Ik stelde dit geval aan de orde, omdat het afweek van de gevallen als die van Lindeman, waarvoor in November reeds een vaste gedragslijn was overeengekomen. Het bestuur van de organisatie der groothandelaren verklaarde toen, dat ook in een geval als het onderhavige, toelating vanzelf sprak, omdat pakhuizen niet onverhuurd moesten blijven, als er goede gegadigden voor waren.
Toen nu einde Maart 1941 C.Dikstaal zich vervoegde bij den bedrijfschef van mijn dienst om als grossier tot de Centrale Markt te worden toegelaten, waar hij een pakhuis wilde huren, heb ik doen onderzoeken, of hij voldeed aan de voorwaarden, die waren gesteld om tot deze markt te worden toegelaten.
Daar Dikstaal naar mijn meening aan bovenvermelde voorwaarden voldeed, had ik er mede gelet op den met den handel gemaakten afspraak, geen bezwaar tegen hem als grossier tot de Centrale Markt toe te laten. Dikstaal heeft namelijk erkenning als groot- en kleinhandelaar, is de laatste jaren vrijwel uitsluitend als winkelier opgetreden, maar is, naar hij mededeelde, ongeveer 15 jaar geleden als zoogenaamde inkoop-commissionnair op veilingen buiten Amsterdam opgetreden.
Op 12 April jl. vervoegden zich bij mij de groothandelaren Draaisma, Kitz en Nooy, leden van de vereeniging "Onderling Belang" en tevens leden van de door deze vereeniging gevormde Commissie ter bestudeering van de mogelijkheden om te komen tot een gezonderen toestand in den groothandel op de Centrale Markt. Zij protesteerden tegen toelating van Dikstaal, die, zooals zij stelden, wel winkelier echter nimmer grossier was geweest, terwijl hij, volgens deze grossiers, niet betrouwbaar zou zijn en niet credietwaardig. Ter illustratie hiervan deelde de heer Nooy mede, dat hij 5 jaar lang een vordering van f 13,60 heeft gehad op Dikstaal, welke vordering eerst een dezer dagen door betaling van f 13,- werd voldaan. Verder zou hij als kooper op de Centrale Markt zijn aankoopen bijna steeds op de op de markt gevestigde veiling gedaan hebben en slechts, als het niet anders kon, bij de grossiers. Voorts achtte men, dat de Groente- en Fruitcentrale niet voldoend scherpe eischen stelde bij het uitreiken van groothandelserkenningen. De Commissieleden wezen voorts op den onder de grossiers heerschenden noodtoestand (als gevolg van het ontbreken van fruit) en stelden als nieuw principe, dat, zoolang deze noodtoestand duurt, geen nieuwe grossiers tot de Centrale Markt moeten worden toegelaten. Zij verwezen hiervoor naar den aan U gerichten brief d.d. 7 April jl (waarin deze wensch als een der punten is opgenomen), waarvan de inhoud in een conferentie tusschen U en bedoelde heeren op 9 April jl. werd besproken. * Kernproblematiek: Het document beschrijft een conflict tussen de gemeentelijke marktautoriteit en gevestigde groothandelaren. De kern is de toelating van nieuwe marktpartijen (Kuil en Dikstaal) in een tijd van economische schaarste.
* Belangenbehartiging: De vereniging "Onderling Belang" (vertegenwoordigd door de heren Draaisma, Kitz en Nooy) fungeert hier als een pressiegroep die de markt wil afschermen voor nieuwkomers onder het mom van "professionalisering" en "betrouwbaarheid".
* Argumentatie: Om de toelating van Dikstaal te dwarsbomen, worden persoonlijke en financiële argumenten aangevoerd, zoals een openstaande schuld van slechts 13,60 gulden die na vijf jaar niet volledig is afbetaald. Dit illustreert de felle concurrentiestrijd en de mate van sociale controle op de markt.
* Economische indicatoren: Er wordt expliciet gesproken over een "noodtoestand" onder grossiers door het ontbreken van fruit, wat duidt op de verslechterende voedselvoorziening en handelssituatie tijdens de bezetting. Dit document stamt uit april 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markt in Amsterdam (de huidige Food Center lokatie in West) was cruciaal voor de voedseldistributie in de stad. Tijdens de bezetting nam de overheidsbemoeienis (via instanties zoals de Groente- en Fruitcentrale) enorm toe door de invoering van distributiestelsels en schaarste.
Bestaande ondernemers probeerden hun positie te beschermen tegenover nieuwkomers in een krimpende markt. De termen "grossier" (groothandelaar) en "inkoop-commissionnair" duiden op de hiërarchische structuur van de handel in die tijd. De wethouder waaraan geschreven wordt, is verantwoordelijk voor de Levensmiddelenvoorziening, een van de meest kritieke portefeuilles tijdens de oorlogsjaren.