Proces-verbaal / Getuigenverklaring (doorslag van een getypt rapport).
Origineel
Proces-verbaal / Getuigenverklaring (doorslag van een getypt rapport). 29 september 1941 en 1 oktober 1941. kar gemerkt met J.H.A.96 en verklaarde mij, dat deze handkar dagelijks wordt gebruikt door Rothé en hiermede zijn koopwaar van de Centrale Markt naar zijn standplaats op de dagmarkt in de Ten Katestraat te vervoeren. Daar deze handkar geregeld wordt gebruikt heb ik, verbalisant, haar in het bezit gelaten van Van der Berg, doch hen aangezegd, dat hij haar ter beschikking moet houden van de Justitie.
Vervolgens hoorde ik op Maandag 29 September 1941 een persoon, die mij desgevraagd opgaf te zijn genaamd: Laurens Blankenstijn, oud 17 jaar, knecht en wonende Haarlemmerweg 158 huis te Amsterdam-West, die mij, nadat ik hem een foto van Gijsen had vertoond, als volgt verklaarde: "Op Zaterdag 27 September 1941 omstreeks 9 uur bevond ik mij op het terrein van de Centrale Markt toen ik aldaar werd aangesproken door den persoon van wien U mij een foto vertoont en die mij bekend is genaamd te zijn Herman Gijsen. Gijsen vroeg mij, of ik voor hem een emballagebon in ontvangst wilde nemen bij Barend van Dijk, welke bon was uitgeschreven ten name van een zekeren Tuin. Deze bon moest ik dan aan hem, Gijsen, overgeven. Waar ik de zaak niet geheel vertrouwde, heb ik aan het verzoek van Gijsen geen gevolg gegeven."
Op Woensdag 1 October 1941 des voormiddags 7.30 uur heb ik, verbalisant, in de Elisabeth Wolffstraat alhier aangehouden een mij bekend persoon, die mij later desgevraagd opgaf te zijn genaamd:
HERMAN GIJSEN,
geboren te Amsterdam, 15 Mei 1916, zonder beroep, wonende Elisabeth Wolffstraat 69 II te Amsterdam-West, per adres Van der Meer en heb hem overgebracht naar het Kaartenkantoor van de Centrale Markt, alwaar hij door mij, voorloopig is gehoord. Gijsen verklaarde mij desgevraagd als volgt: "Op Zaterdag 27 September 1941 omstreeks 8.30 uur v.m. bevond ik mij bij het toegangshek van de Centrale Markt, waarheen ik mij had begeven om te zien of ik voor iemand een vrachtje kon doen, toen aldaar een mij alleen van aanzien bekend persoon op mij toetrad en mij vroeg of ik voor hem een partij ledige kisten wilde inleveren bij Barend van Dijk op pier C van de Centrale Markt. Ik stemde hierin toe, waarop ik van mijn opdrachtgever een handkar, geladen met ledige kisten overnam, welke handkar voor het toegangshek van de Centrale Markt stond. Bedoelde persoon zou dan bij het toegangshek op mij wachten om daar het statiegeld van mij over te nemen. Van de partij kisten, welke zich op de handkar bevonden, wilde Van Dijk er slechts 22 aannemen. Toen Van Dijk mij vroeg voor wie ik de kisten moest inleveren, heb ik, niet wetende hoe de naam was van mijn opdrachtgever, de naam van den mij bekenden kooper Cobus Tuin opgegeven. Van Dijk wilde mij echter het statiegeld, noch den bon, waarop uitbetaling van statiegeld plaats heeft, overgeven en deelde mij mede, dat Tuin zelf het geld moest komen halen. Waar ik den statiegeldbon zelf in mijn bezit wilde hebben om dezen aan mijn opdrachtgever te kunnen overhandigen, verzocht ik aan den mij bekenden Blankenstijn, die ik op het terrein van de Centrale Markt ontmoette, of hij dezen bon voor mij bij Van Dijk in ontvangst wilde nemen. Blankenstijn ging hier echter niet op in, reden waarom ik Cobus Tuin op de Centrale Markt heb opgezocht. Ik trof Tuin in het Halgebouw van de Centrale Markt en vroeg hem of hij het statiegeld van de kisten in ontvangst wilde nemen en aan mij overhandigen. Vooraf deelde ik Tuin nog mede, hoe ik aan de kisten was gekomen en waarom ik bij het inleveren hiervan zijn naam had opgegeven. Tuin heeft toen wel aan mijn verzoek voldaan en het statiegeld bij Van Dijk gehaald, dit aan mij overgegeven, waarna ik het later aan mijn opdrachtgever, die nog bij het toegangshek van de Centrale Markt op mij stond te wachten, heb overhandigd. De handkar met het restant kisten heb ik op het terrein van de Centrale Markt laten staan. Voor mijn moeite ontving ik van mijn opdrachtgever een gulden. Op welke wijze hij in het bezit van de kar met kisten was gekomen weet ik niet. Ten slotte heb ik mijn opdrachtgever nog gezegd, waar ik de handkar met het restant kisten op de Centrale Markt heb laten staan, waarna hij zich op het terrein begaf."
Hierna heb ik, verbalisant, mij met Gijsen begeven naar de karrenloods van Van der Berg in de Borgerstraat alhier en hem aldaar de handkar nummer J.H.A.96 vertoond, waarna Gijsen mij verklaarde, deze handkar te herkennen als dezelfde, welke hij op Zaterdag 27 September 1941 van den hem onbekenden opdrachtgever, geladen met ledige kisten had overgenomen. Na voorloopig door mij te zijn gehoord heb ik Gijsen heengezonden. Het document is een verslag van een politioneel onderzoek naar mogelijke verduistering of diefstal van emballage op de Centrale Markt in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de zaak draait om een handkar (J.H.A.96) die toebehoorde aan een zekere Rothé, maar die op zaterdag 27 september 1941 door een "onbekende opdrachtgever" werd gebruikt om lege kisten in te leveren voor statiegeld.
Herman Gijsen fungeerde hierbij als tussenpersoon. Omdat hij de naam van zijn opdrachtgever niet wist, gaf hij de naam van een bekende koper (Cobus Tuin) op om de kisten geaccepteerd te krijgen. Toen de beheerder (Van Dijk) weigerde het geld aan Gijsen uit te keren, betrok Gijsen eerst de jonge Laurens Blankenstijn (die weigerde) en daarna Cobus Tuin erbij om het geld alsnog te innen. Voor zijn diensten ontving Gijsen één gulden. De handkar werd later teruggevonden in een loods in de Borgerstraat. Dit document stamt uit oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markt in Amsterdam (de huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was een cruciaal en streng gecontroleerd knooppunt voor de voedselvoorziening. Handkarren waren in die tijd essentiële vervoersmiddelen voor marktkooplieden en moesten voorzien zijn van een registratienummer (zoals J.H.A.96).
In een tijd van schaarste en rantsoenering was statiegeld op emballage (kisten en zakken) een bron van kleine criminaliteit. Het feit dat de politie (de verbalisant) een uitgebreid onderzoek instelt naar een relatief klein bedrag aan statiegeld en een handkar, illustreert de strikte controle op goederenstromen en transportmiddelen tijdens de bezettingsjaren. De genoemde locaties (Ten Katestraat, Elisabeth Wolffstraat, Haarlemmerweg) situeren de gebeurtenissen in Amsterdam-West.