Getypte brief (4e concept), met handgeschreven annotaties.
Origineel
Getypte brief (4e concept), met handgeschreven annotaties. 18 februari 1942 MARKTWEZEN AMSTERDAM S/HG.
TELEFOONNUMMER 85151
VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN
No. 2A/3/3 M.
BIJLAGE 1
ONDERWERP: Aardappelvoorziening (handgeschreven)
4e concept! (handgeschreven in rood)
AMSTERDAM (W.) 18 Februari 1942.
JAN VAN GALENSTRAAT 14
AAN den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 3 dezer om advies ontvangen stuk No.144 L.M.1942, heb ik de eer U, mede onder verwijzing naar de bespreking, welke ik ter zake van den opslag van aardappelen op 17 dezer met U mocht hebben, het volgende mede te deelen.
Nu de heer Ir.S.L.Louwes, Directeur-Generaal van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd in een bespreking met den Burgemeester en U op 12 dezer, heeft te kennen gegeven, dat ook hij het noodig oordeelt, dat de Gemeente Amsterdam voortdurend over een voorraad aardappelen beschikt voldoende voor het verbruik gedurende een periode van zes weken, behoeft mijns inziens niet nader op het schrijven van de Nederlandsche Inkoop Centrale voor Akkerbouwproducten te worden ingegaan voor zoover dit betrekking heeft op de grootte van den opslag. Deze Centrale vormt namelijk een onderdeel van den Dienst, waarvan de heer Louwes het hoofd is.
Ik meen te moeten wijzen op punt 5 van het schrijven, waarin gesproken wordt over de extra onkosten, welke het reserveeren van grootere hoeveelheden aardappelen meebrengt. Voor zoover mij bekend, is de interne organisatie van de aardappelvoorziening van de Vebena zoodanig, dat de inkomsten, die de leden der vebena (de vroegere grossiers) ter zake van hun werkzaamheden ontvangen, afhankelijk zijn van een door hen al of niet "zuinig" gevoerd beheer. Bij dezen gang van zaken heeft een uitvoerend orgaan (Vebena) persoonlijke belangen bij de wijze van uitvoering. Dit is te meer onjuist omdat in de gegeven omstandigheden de kosten van opslag zich niet zullen beperken tot die van huren van pakhuizen en loonen, maar (waar de opslagen in het voorjaar plaatsvinden) tot onvermijdelijke grootere bewaringsverliezen.
Ten einde van de volle medewerking van de Vebena verzekerd te zijn is het noodig, dat ten deze een modus wordt gevonden. Het treffen van maatregelen ligt geheel op den weg van den heer Louwes van wiens dienst de Vebena een der uitvoerende organen is.
A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-9-'39-526. * Kern van de correspondentie: De brief betreft een ambtelijk advies over het aanleggen van een strategische noodvoorraad aardappelen voor de stad Amsterdam (voor zes weken).
* Belangenconflict: De schrijver signaleert een probleem bij de "Vebena" (Vereniging van Binnenlandsche Aardappelhandelaren). De leden hiervan zijn de voormalige grossiers. Omdat zij financieel belang hebben bij hoe de opslag wordt beheerd, vreest de schrijver dat de extra kosten en de onvermijdelijke bewaringsverliezen (bederf in het voorjaar) tot frictie of onjuist beheer zullen leiden.
* Bestuurlijke verhoudingen: Er wordt verwezen naar Ir. S.L. Louwes, een cruciaal figuur in de Nederlandse voedselvoorziening tijdens de bezetting. De schrijver stelt dat Louwes (als hoofd van de overkoepelende dienst) dit probleem moet oplossen om de medewerking van de grossiers te garanderen.
* Taalgebruik: Formeel-ambtelijk Nederlands ("ter zake van", "den dezer", "mijns inziens") met de destijds gebruikelijke spelling. Dit document stamt uit februari 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Voedselvoorziening was op dat moment een kritieke overheidstaak geworden. De organisatie van de markt was door de bezetter en de Nederlandse administratie sterk gecentraliseerd (het zogenaamde 'distributiestelsel').
De genoemde Ir. Stephanus Louwes was Directeur-Generaal van de Voedselvoorziening en probeerde binnen de beperkingen van de bezetting de Nederlandse bevolking zo goed mogelijk te voeden. Het document toont de bureaucratische realiteit van die tijd: hoe een grote stad als Amsterdam probeerde reserves op te bouwen terwijl ze te maken had met logistieke verliezen, financiële belangen van private partijen (de grossiers verenigd in de Vebena) en de druk van de centrale overheid. De vrees voor "bewaringsverliezen" in het voorjaar duidt op de angst voor honger als de wintervoorraden zouden rotten voordat de nieuwe oogst beschikbaar kwam.