Afschrift van twee aaneengesloten brieven.
Origineel
Afschrift van twee aaneengesloten brieven. J.J. Bruinsma, aardappelhandelaar (Spaarndammerstraat 29 II, Amsterdam). No.2A/7/1 M.1942 19/2 AFSCHRIFT.
No.222 L.M.1942.
Amsterdam, 10-2-1942.
Edelachtbare Heer,
Vergeef mij mijn vrijheid U te schrijven. Ik ben aardappelhandelaar in 't klein en ik heb een groote wijk in West bij den Haarlemmerweg, welke ik al jaren bedien, want ik vent al 28 jaar. Nu verkoop ik in dezen tijd ontzettend veel aardappelen en ik kom ook geregeld met paard en kar. Doch daar de strenge winter kon ik onmogelijk bij mijn klanten komen, de laatsten dag, dat ik nog geweest ben vroor het zoo erg, dat ik ze niet ~~xxxx~~ goed kon houden. Ik wist niet meer wat ik doen moest, want ik had aardappelen genoeg en mijn klanten hadden niet te eten. Eindelijk had ik iets gevonden. Ik huurde voor 3 weken een winkelhuis (na eerst goed uitgekeken te hebben, want de minste tijd was ½ jaar). Ik huurde een vrachtauto, na veel zoeken, kortom ik spaarde moeite nog geld om mijn klanten te bedienen. (ik ontving bovendien nog 1 cent per kilo minder omdat ik ze niet thuisbezorgde). Ik heb al mijn klanten laten weten, alsdat ze de aardappelen konden halen Gibraltarstraat 42. En zoo gebeurde het. Maar nu mag het niet van Detailhandel Centraal Belang. Nu heb ik alle moeite en kosten gehad voor niets en ik voel me toch verplicht om de menschen van voedsel te voorzien. Ik wilde mij niet vestigen (wat volgens mij in deze tijd niet zoo slim was, want ik heb veel klanten) ik had het maar voor nood. Want ik ken nu met de wagen er nog niet door. Nu vraag ik U beleefd zou ik van U vergunning kunnen kijrijgen, dat ik er toch uit mag verkoopen. Daar het publiek er mee gebaat is en zij onze klanten bij een ander niet geholpen worden en ik altijd een flinke omzet (dus ook voldoende aardappelen in voorraad heb) Uw antwoord zoo spoedig mogelijk tegemoetziende,
Hoogachtend,
w.g. J.J. Bruinsma,
Spaarndammerstraat 29 II,
Amsterdam-Centrum.
Amsterdam, 16-2-1942.
Edelachtbare Heer,
Ik had de eerste brief niet weggestuurd, omdat ik intusschen op het kantoor van Centraad Belang heb ontboden en daar waren we tot een oplossing gekomen, dat ik dan maar de wagen (gelijk de melkbezorgers) ergens neer moest zetten, dan konden de klanten naar de wagen komen. Nu heb ik niet uit de winkel, maar van de wagen verkocht, voor het winkelhuis, maar nu mag dat ook niet. Nu vraag ik aan U, wat moet ik doen. Er staat duidelijk in de kranten, voedselvoorziening moet doorgaan. Ik heb toewijzing genoeg en mag de menschen niet van voesel voorzien. De straten (behalve de Hoofdwegen) zijn nog zoo slecht, dat ik geen kans zie om een flinke hoeveelheid in mijn wijk te brengen. Ik breng nu geregeld kleine hoeveelheden naar de winkel en huur een vrachtauto, Ook moet ik veel tijd besteden met wachten op de markt. Het paard heeft zich, door het slechte weer, met één been in het andere geslagen en is gewond, door de scherpe schroef. En het weer wordt nog niet beter, wat wegen aangaat. Ik kan desgewenscht een lijst aantoonen van klanten, die er meer gebaat zijn als de verkoop van ons doorgaat, want mijn vrouw helpt ook meer. Daar zijn maar 2 zaken in die buurt, die geen eten voor mijn klanten hebben en ik wel genoeg. Natuurlijk komt er wangunst bij, broodnijd. Maar ik kom toch niet uit de lucht ik loop al 6 jaar in die wijk. Nu moest ik Zaterdag direct ophouden te verkoopen, anders wordt mijn boekje ingehouden, dan krijg ik voor straf eenige weken geen handel. Ik ben toch doorgegaan met de
z.o.z. * Taal en spelling: Het document bevat diverse spelfouten en archaïsche zinsconstructies (bijv. "kijrijgen", "Centraad", "voesel", "alsdat"). Dit is typerend voor een doorsnee burger die in de jaren '40 een officiële instantie aanschrijft.
* Problematiek: De briefschrijver zit klem tussen de praktische onmogelijkheid om zijn werk uit te voeren (strenge winter, gewond paard, onbegaanbare wegen) en de starre regelgeving van de bezettingsautoriteiten/distributieorganen (Detailhandel Centraal Belang).
* Economische context: Er is sprake van distributie en toewijzing. De auteur noemt "het boekje" (de vergunning of het distributiestamkaart-systeem voor handelaren). Het inhouden hiervan was een zware sanctie die broodroof betekende.
* Sociale spanning: De auteur hint op "wangunst" en "broodnijd" van concurrenten, wat suggereert dat hij mogelijk is aangegeven bij de autoriteiten omdat hij vanuit een tijdelijk pand of een stilstaande wagen verkocht. De winter van 1941-1942 was een van de strengste winters van de 20e eeuw in Nederland. In februari 1942 lag het openbare leven grotendeels stil door extreme kou en sneeuwval. Voor kleine zelfstandigen, zoals aardappelventers die afhankelijk waren van paard en wagen, was dit rampzalig.
Tegelijkertijd stond de Nederlandse economie onder strikt toezicht van de Duitse bezetter. De "Hoofdbedrijfschap Detailhandel" (hier genoemd als Detailhandel Centraal Belang) handhaafde strikte regels over wie waar mocht verkopen om de zwarte handel te beperken en de distributie te controleren. De brief illustreert de wanhoop van een kleine ondernemer die probeert te overleven en zijn klanten te voeden, terwijl hij verstrikt raakt in de bureaucratische netten van het bezettingsbestuur. De "scherpe schroef" waarnaar verwezen wordt, is een ijsnagel die onder de hoeven van paarden werd bevestigd voor grip, maar die bij uitglijden diepe vleeswonden kon veroorzaken.