Getypt afschrift van een brief/ambtelijke mededeling.
Origineel
Getypt afschrift van een brief/ambtelijke mededeling. 2 oktober 1942. Afschrift.
No.2A/27/1 M.1942 3/10.
No.850 L.M.1942 28/9.
Weldele Heer voûte,
In het belang van onze voedselvoorziening van onze stad Amsterdam wenscht ik een oogenblik Uw welwillende aandacht voor het volgende:
J.l. Zaterdag heb ik kunnen constateeren, en met mij de menschen, welke in de aardappelen werken, dat er bij het opslaan van aardappelen in de loods 4 van de K.N.S.M. uit spoorwagons, er één wagon stinkende aardappelen, welke waarschijnlijk veel van de regen geleden hadden, bij de goede aardappelen werd opgeslagen, wat volgens mij de geheele voorraad in die loods schadelijk kan maken. Maatregelen welke hiervoor genomen moeten worden, laat ik aan UEd. over, die zeker met mij eens zal zijn, dat zoo iets niet mag plaats vinden. Waar ik mijn aanwijzing in het belang van de inwoners van Amsterdam gedaan heb, hoop ik, dat UEd. voor een en ader Uw maatregelen zult nemen.
Ik teeken,
Met alle hoogachting,
J.Smit.
De Wethouder voor de
Levensmiddelen, Wasch-
en Schoonmaak- Bad en
Zweminrichtingen stelt
deze in handen van den
Directeur vanhet Markt-
wezen om advies.
A'dam, 2 October 1942. * Toestand van de voorraad: De brief rapporteert een ernstig incident waarbij een lading rotte ("stinkende") aardappelen is gemengd met een gezonde voorraad. Dit vormde een direct risico voor de houdbaarheid van de gehele opgeslagen partij door mogelijke besmetting of verspreiding van rot.
* Ambtelijke procedure: Het document is een afschrift. Onderaan is een administratieve aantekening toegevoegd waaruit blijkt dat de wethouder (Smit) de kwestie doorstuurt naar de Directeur van het Marktwezen voor technisch advies.
* Taalgebruik: Het document hanteert de destijds gebruikelijke formele spelling (o.a. "oogenblik", "constateeren", "geheele") en hoffelijkheidsvormen zoals "UEd." (Uw Edelheid).
* Logistiek: De vermelding van spoorwagons en "loods 4 van de K.N.S.M." (Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij) duidt op de centrale rol van het havengebied en het spoor in de Amsterdamse voedseldistributie tijdens de oorlog. Dit document stamt uit oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Voedselvoorziening was in deze periode een kritieke aangelegenheid. Hoewel de beruchte Hongerwinter nog ver weg was, waren distributie en rantsoenering al strikt gereguleerd.
Edward Voûte, aan wie de brief gericht is, was door de bezetter benoemd tot regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam. Jan Smit was de wethouder die onder Voûte verantwoordelijk was voor de Levensmiddelenvoorziening. In een tijd van toenemende schaarste werd de verspilling van een hele wagonlading aardappelen gezien als een ernstige nalatigheid die de publieke orde en de gezondheid van de Amsterdamse bevolking in gevaar kon brengen. Het document illustreert de dagelijkse strijd van het stadsbestuur om de basisbehoeften onder oorlogsomstandigheden te beheren.