Officieel gedrukt verslag / uittreksel uit een gemeentelijk jaarverslag.
Origineel
Officieel gedrukt verslag / uittreksel uit een gemeentelijk jaarverslag. Het document behandelt gebeurtenissen uit 1940 en 1941. Een handgeschreven aantekening onderaan vermeldt de datum "8/12 1942". 6978
I. Algemeene opmerkingen.
Verordeningen en reglementen.
In het Reglement op de Markten werden met ingang van 1 Februari de volgende artikelen gewijzigd en/of aangevuld (Gemeenteblad 1941, afd. 3, volgn. 7). Art. 7 werd gewijzigd in dien zin, dat bij het toewijzen van vaste plaatsen op de markten aan de houders van voorkeurskaarten, van de volgorde van hun inschrijving op de sollicitantenlijst, genoemd in art. 5, des Zaterdags wordt afgeweken ten gunste van een houder van een voorkeurskaart, die in de laatste 5 dagen, voorafgaande aan dien Zaterdag, op meer dagen een losse plaats op de betreffende markt bezette, dan een houder van een voorkeurskaart, die eerder op de in art. 5 genoemde sollicitantenlijst werd ingeschreven.
In art. 9 sub a werd bepaald, dat voortaan onder het geregeld bezoeken der markten zal worden verstaan, dat een koopman ten minste 3 dagen per week uitstalt op een algemeene dagmarkt.
Een nieuw lid, d, werd aan dit artikel toegevoegd, luidende:
,,het onder a bedoelde uitstallen moet zoodanig zijn, dat de uitgestalde handelswaar voldoende is, om er onder normale omstandigheden, een geheelen dag mee zaken te doen, een en ander ter beoordeeling van den dienstdoenden marktambtenaar''.
Art. 10, houdende bepalingen, waaraan de personen ingeschreven op de in art. 5 genoemde sollicitantenlijst, moeten voldoen om in het bezit te blijven van hun voorkeurskaart, werd op eenige ondergeschikte punten gewijzigd, evenals art. 11, waarin bepalingen zijn opgenomen, in welke gevallen een marktkoopman het recht op zijn vaste plaats verliest.
Van art. 16 kwamen het eerste en het tweede lid te vervallen en te luiden als volgt:
,,Een zelfde persoon kan, hetzij alleen, hetzij met zijn echtgenoote, ten hoogste over een vaste plaats op een algemeene dagmarkt en over vaste plaatsen op twee weekmarkten beschikken. Voor de toepassing van deze bepaling wordt degene, wien een voorkeurskaart als bedoeld in art. 8 is uitgereikt, aangemerkt als te beschikken over een vaste plaats op de markt, waarvoor de voorkeurskaart is verleend.
Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, komen uit elk gezin, op dezelfde markt, ten hoogste twee personen voor een vaste plaats in aanmerking, namelijk het gezinshoofd of zijn echtgenoote en een der andere gezinsleden''.
In de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, werd art. 23 gewijzigd, ter zake van te verleenen reductie ad 1 % op de belasting ad 5 % aan den afslag in de Vischhal, voor visch ,,door denzelfden visscher rechtstreeks uit zee aangevoerd'', indien de bruto-opbrengst van die aangevoerde visch in een kalenderjaar meer dan f 5000 heeft bedragen (Gemeenteblad 1941, afd. 3, volgn. 24).
In de Ventverordening werden de artt. 2 en 10 aangevuld met bepalingen, ter zake van het venten op Zondagen en Christelijke feestdagen (Gemeenteblad 1941, afd. 3, volgn. 101).
Personeel.
In de vacature van directeur van den dienst, ontstaan op 16 November 1940 als gevolg van maatregelen van Hooger Gezag werd op 17 November van het verslagjaar voorzien, door de benoeming van den heer C. F. Sixma, die tot dien datum fungeerde als waarnemend directeur. Op 19 November werd op arbeidscontract aangesteld de heer J. J. Sieburgh als secretaris-plaatsvervangend directeur.
Mede als gevolg van de bovengenoemde maatregelen werd met ingang van 1 Maart aan twee Joodsche ambtenaren ontslag uit den gemeentedienst verleend.
Het personeel bestond op 1 Januari uit 70 ambtenaren in vasten dienst en 7 werklieden in vasten dienst.
Op 31 December waren in dienst 68 vaste ambtenaren, 1 ambtenaar op arbeidscontract, 2 reservisten als ambtenaar dienstdoende en 7 vaste werklieden.
De twee reservisten als ambtenaar dienstdoende, werden tewerkgesteld op de Centrale Markt, in verband met de regeling voor de afgifte van aardappelen door de grossiers aan den kleinhandel, welke regeling extra toezicht noodig maakte.
Uitgebracht aan den Burgemeester van Amsterdam.
[Handgeschreven aantekening rechtsonder:]
Ex. om te behouden / 1
Apv. ... ... 8/12 1942 [onleesbaar monogram] De tekst biedt een zakelijk overzicht van administratieve en personele wijzigingen bij de Amsterdamse marktdienst in 1941.
- Regulering van de handel: Een groot deel van de tekst bespreekt technische aanpassingen in het Marktreglement. Er wordt strenger toezicht gehouden op de activiteit van marktkooplui (minimaal 3 dagen aanwezigheid, voldoende voorraad). Dit wijst op een poging om de markthandel stabiel te houden in een tijd van toenemende schaarste.
- Vissector: Er is een specifieke belastingreductie voor vissers die direct uit zee aanvoeren, wat duidt op het stimuleren van de directe voedselvoorziening.
- Personeelsbezetting: De tekst vermeldt de aanstelling van C.F. Sixma als directeur. De "maatregelen van Hooger Gezag" die tot de vacature leidden, verwijzen naar de ingrepen van de Duitse bezetter in het lokale bestuur.
- Oorlogseconomie: De inzet van reservisten op de Centrale Markt voor het toezicht op de "afgifte van aardappelen" weerspiegelt de distributieproblematiek en de invoering van de rantsoenering tijdens de bezettingsjaren. Dit document is historisch zeer relevant vanwege de expliciete vermelding van de vervolging van Joden in Nederland. Onder de kop "Personeel" wordt melding gemaakt van het ontslag van twee "Joodsche ambtenaren" op 1 maart (1941).
Dit was een direct gevolg van de zogenoemde "Ariërverklaring" en de daaropvolgende verordening (L 4/41) van de Duitse bezetter, waarbij Joodse ambtenaren eerst geschorst en daarna definitief ontslagen moesten worden. De term "Hooger Gezag" is het ambtelijke eufemisme dat destijds werd gebruikt om naar de Duitse bezettingsmacht te verwijzen zonder deze expliciet bij naam te noemen. Het feit dat dit ontslag tussen de reguliere personeelscijfers en reglementswijzigingen staat, illustreert de kille, bureaucratische wijze waarop de uitsluiting van de Joodse bevolking werd vastgelegd in officiële overheidsdocumenten.