Ambtelijk advies/memorandum.
Origineel
Ambtelijk advies/memorandum. 20 april 1939. Een ambtenaar van het Marktwezen (ondertekening lijkt op J.J. Monshouwer). Advies op No 25/16 91 M 39.
Aan den Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier.
In verband met bijgaand verzoek van
N. Ketellapper, pl. 146 AL., diene het volgende:
De heer Ketellapper behoort tot de groep
kooplieden, die gaarne slechts één maal per
week, nl. op Zaterdagen, een plaats bezet,
waarvoor hij herhaalde malen door de Directie
Marktwezen schriftelijk is gewaarschuwd
en hem gewezen is op zijn verplichting zijn
plaats regelmatig te bezetten!
M.i. zijn thans geen termen aanwezig
om het verzoek in te willigen.
Amsterdam, 20 April 39
[Handtekening: J.J. Monshouwer] Dit document betreft een intern ambtelijk advies binnen de dienst van het Marktwezen in Amsterdam. De kern van de zaak is de naleving van de marktverordening door een specifieke koopman, N. Ketellapper.
Uit de tekst blijkt dat de heer Ketellapper een verzoek heeft ingediend (de precieze aard van het verzoek wordt niet genoemd, maar het kan gaan om een uitbreiding, verplaatsing of ontheffing). De adviserend ambtenaar adviseert negatief omdat Ketellapper zich niet houdt aan de bezettingsplicht. Hij kiest ervoor om alleen op de lucratieve zaterdagen te verschijnen, terwijl de regels voorschrijven dat een toegewezen vaste plaats regelmatig (meestal dagelijks of op alle marktdagen) bezet dient te worden. Het feit dat hij hier al herhaaldelijk schriftelijk voor is gewaarschuwd, wordt gebruikt als argument om zijn huidige verzoek af te wijzen. De toon is zakelijk en strikt bureaucratisch. Het document dateert van april 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland. De naam Ketellapper is een bekende Joodse familienaam in Amsterdam, en veel Joodse Amsterdammers waren werkzaam in de markthandel (met name op de Waterloopleinmarkt of de markt in de Jodenbreestraat).
Hoewel dit document op het eerste gezicht een routineuze handhaving van marktregels lijkt, moet het gezien worden in de bredere context van het Amsterdamse marktbeleid in de jaren '30. De overheid probeerde de markten te ordenen en te 'saneren', waarbij strenge eisen werden gesteld aan de aanwezigheid van kooplieden. Voor veel kleine handelaren, die vaak in precaire economische omstandigheden verkeerden, was het dagelijks bezetten van een kraam soms lastig. In de jaren direct na deze brief, tijdens de bezetting, zouden Joodse marktkooplieden geconfronteerd worden met steeds verdergaande beperkingen en uiteindelijk uitsluiting van het economisch leven. Dit specifieke document is afkomstig uit een dossier dat waarschijnlijk bewaard is gebleven in het Stadsarchief Amsterdam.