Archiefdocument
Origineel
26 November 1942 Amsterdam 26. November 1942.
Mijnheer de Inspecteur de Haan.
Toen ik van morgens op de Vischmarkt aan de
Ruijterkade waar om mijn Visch in ontvangst
te nemen werd mij mede gedeeld dat ik geschorst
waar en de Vischmarkt niet meer mag betreden.
Omdat ik een verbaal heb gekregen voor te hooge prijzen
van de verkoop van gerookte Visch.
Nu ligt hier zeker een vergissing voor of U zijt niet
goed ingelicht.
Wel heb ik te duur verkocht, maar deze Visch waar
niet aan de Ruijterkade gekocht, die heeft een
Vischkoopman. Hendrikus Bootsma mij in mijn
Zaak gebracht en daar heb ik ze gekocht, dus ze
stamt niet van de Ruijterkade en ben ik mijner
aanzicht hier niet strafbaar voor.
Ik heb hier gehandeld om mijn Zaak niet te gronde
te laten gaan, want de 20 of 24 pond gerookte Visch
per Week van de Vischmarkt kan ik mij niet boven
water houden. U legt alles aan banden en schakelt
maar uit maar ten slotte willen wij als handelaar
ook eten en leven.
Ik heb nu al een bekeuring met verbaal te
betalen mijn Visch is mij afgenomen die ik voor
te dure prijzen heb gekocht en nu komt U In deze brief protesteert een Amsterdamse vishandelaar tegen zijn uitsluiting van de vismarkt aan de De Ruijterkade. De directe aanleiding voor de schorsing is een proces-verbaal dat hij ontving voor het verkopen van gerookte vis tegen te hoge prijzen (prijsopdrijving).
De schrijver voert een juridisch en moreel verweer:
1. Juridisch argument: Hij stelt dat de bewuste partij vis niet op de officiële markt is ingekocht, maar direct in zijn winkel werd geleverd door een andere handelaar (Hendrikus Bootsma). Volgens hem kan hij daarom niet gestraft worden met een verbod op de markt zelf, aangezien de overtreding losstond van zijn activiteiten aldaar.
2. Moreel/Economisch argument: De handelaar wijst op de onmogelijke economische situatie. Hij stelt dat de officiële toewijzing van 20 tot 24 pond vis per week volstrekt onvoldoende is om van te kunnen bestaan ("boven water houden"). Hij klaagt over de verstikkende regeldruk ("U legt alles aan banden") en benadrukt dat hij ook het recht heeft om te kunnen overleven.
De brief eindigt abrupt onderaan de pagina, wat suggereert dat er een tweede blad was of dat de schrijver zijn relaas voortijdig beëindigde. Dit document stamt uit november 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de schaarste aan goederen en voedsel nijpend. De bezetter hanteerde een streng systeem van distributie en prijsbeheersing om inflatie en zwarte handel tegen te gaan, hoewel de officiële rantsoenen vaak onvoldoende waren voor ondernemers om hun zaak draaiende te houden.
Toezichthouders zoals de Prijsbeheersingsdienst controleerden streng op woekerprijzen. Een "verbaal" (proces-verbaal) betekende vaak niet alleen een hoge boete en inbeslagname van de goederen, maar kon ook leiden tot een verbod om het beroep nog langer uit te oefenen. Deze brief illustreert de wanhoop van kleine handelaren die klem zaten tussen de wet en de bittere noodzaak om te overleven, waarbij zij zich vaak gedwongen zagen om buiten de officiële kanalen om ("de zwarte markt") handel te drijven.