Getypte brief (doorslag op dun papier).
Origineel
Getypte brief (doorslag op dun papier). 2 october 1942. De Directeur (van een lokale visafslag of visserij-instantie, niet nader gespecificeerd in de tekst). Den Heer Directeur der Nederlandsche Visscherijcentrale, Den Haag. [Rechtsboven:]
VD/HB.
[Midden boven, handgeschreven:]
Verzonden 2/10
[Adresseringsblok:]
den Heer Directeur der Nederlandsche
Visscherijcentrale,
2e Adelheidstraat 300,
Den Haag.
[Referentie links:]
46A/521/3 M.
[Datum rechts:]
2 October 1942.
[Inhoud:]
Onder verwijzing naar Uw brief d.d. 26 Augustus j.l. No.19666
Verd/Ve.. bericht ik U, dat de daarin genoemde handelaren Boobsma en
Ruyg tot nu toe geen visch aan den afslag te dezer stede hebben in-
gezonden.
Ik verzoek U, thans tegen genoemde handelaren maatregelen te
nemen.
[Ondertekening rechtsonder:]
De Directeur, De kern van deze korte, zakelijke correspondentie is een melding van niet-naleving van visserijvoorschriften. De afzender rapporteert aan de centrale visserijautoriteit in Den Haag dat twee specifieke handelaren, genaamd Boobsma en Ruyg, in gebreke zijn gebleven. Zij hebben verzuimd hun vis ter veiling aan te bieden bij de lokale afslag ("te dezer stede").
De toon is formeel en dwingend. De afzender verzoekt expliciet om sancties ("maatregelen") tegen de genoemde handelaren. De brief verwijst naar eerdere correspondentie van augustus 1942, wat duidt op een lopend dossier over deze handelaren. De spelling is conform de toen geldende normen (bijv. "visch", "den afslag"). Dit document stamt uit oktober 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC) was een door de bezetter gecontroleerd orgaan dat de gehele distributie en handel in vis reguleerde.
Tijdens de oorlogsjaren was voedseldistributie strikt gereguleerd om tekorten te beheersen en de Duitse oorlogsmachine te bevoorraden. Vissers en handelaren waren verplicht hun vangst via officiële visafschoppen te verhandelen. Het buiten de afslag om verhandelen van vis werd beschouwd als economisch delict en zwarte handel.
De brief illustreert de bureaucratische controle op de voedselvoorziening; het niet aanleveren van vis aan de officiële afslag was een ernstige overtreding waarvoor de lokale autoriteiten direct om ingrijpen van het centrale bestuur in Den Haag vroegen. De gevraagde "maatregelen" konden variëren van geldboetes en intrekking van vergunningen tot zwaardere straffen door de economische opsporingsdiensten.