Handgeschreven brief (verzoekschrift)
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift) 26 augustus 1941 Pieter Schenk (Elandsgracht 86, Amsterdam) [Linksboven, gestempeld/geschreven:] № 46ᵃ/559/1
[Midden boven, paars stempel:] M. 1262
[Rechtsboven:] 29/8 16 927
[Rechtsboven:] 26-8-1941 Adam.
[In rood potlood:] 46ᵃ/559/3
Wel Ed. Heer van Rijnhoven
Ondergetekende Pieter Schenk
Woonende Elandsgr 86 Amsterdam
verzoekt hiermede beleefd om ook
in aanmerking te komen voor
de Noordzeevisch
Voor informatie
den Heer H. ter Voort Lijnbaansgr 168
en den Heer Schoenmaker doch
de laatste is niet meer op den markt.
Daar ik alles contant kocht heb
ik geen kwitantie’s voor de
geleverde visch
Hoopende dat het hiermede
voor mijn in orde zal komen
[doorgehaald: afw...] Teeken ik in afwachting
PSchenk Elandsgr 86 De brief is een formeel verzoek van Pieter Schenk, een vishandelaar of marktkoopman gevestigd aan de Elandsgracht 86 te Amsterdam. Hij verzoekt de heer Van Rijnhoven om een toewijzing voor de levering van "Noordzeevisch".
Opvallend is de verantwoording die Schenk aflegt over het gebrek aan bewijsstukken; hij verklaart geen kwitanties te hebben omdat hij zijn inkopen altijd contant betaalde. Hij voert twee referenties op: de heer H. ter Voort (gevestigd aan de Lijnbaansgracht) en een zekere heer Schoenmaker, waarbij hij opmerkt dat de laatstgenoemde niet meer op de markt werkzaam is. Het handschrift is vlot maar duidelijk, typerend voor een zakelijke correspondentie uit die periode. Het document dateert uit augustus 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening en distributie streng gereguleerd via rijksbureaus en crisisinstellingen. Vis, met name Noordzeevis, was een essentieel onderdeel van de voedselvoorziening omdat vlees steeds schaarser werd.
De administratieve nummers en stempels duiden erop dat deze brief deel uitmaakte van een officieel dossier van een overheidsinstantie (waarschijnlijk gerelateerd aan de visdistributie of het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening). De referentie naar de heer Van Rijnhoven suggereert dat deze functionaris verantwoordelijk was voor de toewijzing van quota of vergunningen aan handelaren. De opmerking dat een referent "niet meer op de markt" is, kan wijzen op de sanering van de markt of het wegvallen van handelaren door de oorlogsomstandigheden. H. ter Voort Rijksbureau