Brief (handgeschreven)
Origineel
Brief (handgeschreven) 12 oktober 1942 Onbekend (vis- en fruithandelaar, voorheen gevestigd aan de Weesperstraat 8) De Directie (vermoedelijk van een distributie- of handelsinstantie zoals de Rijksdienst voor de Visserij) Nº 46ª/615/2 M. 1942 14/10 155
Amsterdam 12 October 1942.
Geachte Directie.
m. Insp
Voor 3 weken geleden was ik persoonlijk bij
den Heer Inspecteur, nadien ik een schriftelijke
verklaring heb ingediend voor toewijzing in
Paling Garnalen en Gerookte Visch.
Ik heb den Heer Inspecteur een schrijven
overhandigd dat ik door de bemiddeling van
de Deutsche Instantie der Wirtschaftsprüf-
stelle, der Zaak van J. de Winter heb
overnamen Nieuwendijk 84.
Ook is mijn aanvraag al van de Directie
behandeld, maar heb nog altijd geen
bericht over mijn toewijzing.
Ik zelf heb in de Weesperstraat Nº 8 een
Visch en Fruitzaak gedreven, en
J. de Winter staat geboekt aan de
Vischmarkt voor Paling. Alle toewijzing
van den Jood J. de Winter die uit deze
Zaak moest, zijn aan mij over gegaan en ik
verzoek nu vriendelijk aan de Heeren van
de Directie met de toewijzing in gerookte
Visch mij die ook te geven. * Kern van de brief: De schrijver verzoekt om de officiële toewijzing (distributierechten) voor het leveren van paling, garnalen en gerookte vis. Hij baseert zijn recht hierop op de overname van de vishandel van J. de Winter aan de Nieuwendijk 84.
* Arisering: De brief bevat een expliciete verwijzing naar de "Jood J. de Winter". De schrijver benadrukt dat de zaak is overgenomen via de Wirtschaftsprüfstelle. Dit is een direct bewijs van 'arisering': het onteigenen van Joodse bedrijven en het overdragen ervan aan niet-Joodse 'ariërs' tijdens de bezetting.
* Bureaucratie: De schrijver verwijst naar eerdere bezoeken aan een inspecteur en een schriftelijke verklaring, wat duidt op de complexe bureaucratische processen rondom distributie en bedrijfsovernames in oorlogstijd.
* Locaties:
* Nieuwendijk 84: De overgenomen zaak.
* Weesperstraat 8: De oorspronkelijke zaak van de schrijver (gelegen in de voormalige Joodse buurt van Amsterdam). Deze brief is geschreven in oktober 1942, een periode waarin de Jodenvervolging in Nederland een gruwelijk dieptepunt bereikte met de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen. Tegelijkertijd werd het economische leven van Joden volledig lamgelegd door de Duitse bezetter.
De genoemde Wirtschaftsprüfstelle was het orgaan dat toezag op de liquidatie of 'arisering' van Joodse ondernemingen. Joodse ondernemers werden gedwongen hun bezit af te staan, vaak voor een fractie van de waarde, aan niet-Joodse Nederlanders of Duitsers.
In een tijd van schaarste was het verkrijgen van 'toewijzingen' (vergunningen om goederen in te kopen en te verkopen) van levensbelang voor een ondernemer. De schrijver van deze brief maakt gebruik van het nationaalsocialistische beleid om zijn eigen handelspositie te versterken ten koste van een Joodse medeburger die op dat moment waarschijnlijk al was gedeporteerd of ondergedoken. De term "alle toewijzing van den Jood J. de Winter (...) zijn aan mij over gegaan" illustreert de kille, zakelijke wijze waarop dit proces van beroving werd afgehandeld. J. de Winter