Getypt manuscript/rapport (pagina 15).
Origineel
Getypt manuscript/rapport (pagina 15). Na 1924 (gebaseerd op bronvermeldingen). - 15 -
De ruwe knollen leverden voor 59.6% uitval-planten of miniatuur-planten. Uit tabel 3 bleek, dat ruwe knollen voor 58.7% dunne spruiten voortbrachten. Er is dus een goede overeenstemming in deze cijfers
In onze partij waren van de 947 knollen er 421 stuks ruw, d.i. 44.6%; ruwe knollen leverden voor 59.6% géén of ver achterblijvende planten; gladde knollen slechts 6.0%. Indien men dus in dit geval ruwe én gladde knollen door elkaar zou hebben uitgeplant, dan zouden er op 1 Juni theoretisch 29.3% uitgevallen of slechte planten te velde moeten staan. Het cijfer voor "dunne spruiten" uit de tabel op blz. 4, n.l. 26.2%, vertoont hiermede weer een behoorlijke overeenstemming!!
Tegenover plm. 60% slechte planten bij de ruwe knollen zien wij er plm. 6% bij de gladde, een verschil dus van plm. 54%.
Wij wijzen er nogmaals uitdrukkelijk op, dat de gegeven cijfers slechts betrekking hebben op feiten, welke wij bij deze partij Bintjes verkregen. Deze cijfers zullen zeker niet als algemeen geldend verklaard kunnen worden.
De partij bestond uit knollen van planten bij welke zich, hoewel laat, toch bladrol (primair) had voorgedaan.
Het is natuurlijk niet uitgesloten, dat deze factor hierbij mede een rol speelt, en dat deze kwestie dus in een dergelijke zeer frappante vorm, zich slechts openbaart bij een dergelijke partij. Dit zal nader onderzocht moeten worden.
Doch meer voor de hand ligt de veronderstelling, dat het optreden van de zwakke spruiten in hoofdzaak een physiologische achtergrond heeft.
Uit den stand op 4 Juni is wél te concludeeren, dat het verschil in opbrengst groot moet uitvallen, wat méér of minder groot al naarmate de komende weersomstandigheden. J. Bushnell*) constateerde, dat aardappelen met de sterkstespruiten het eerste boven den grond komen; de sterkste spruiten leverden tevens de sterkste planten.
F.C. Stewart**) vond een positieve correlatie tusschen de grootte
*) "Variation in vigour of sprouts from Quarters of Single Tubers"
Bot. Gazette 78-233-1924.
**) "Potato Seed Experiments".
New York Agr. Exp. Sta. Bull. 491-1922 en
id. Bull. 498-1921. Dit document betreft een wetenschappelijke analyse van de relatie tussen de uiterlijke kenmerken van aardappelknollen ("ruw" versus "glad") en de vitaliteit van de planten die daaruit groeien. De belangrijkste bevinding is dat ruwe knollen in bijna 60% van de gevallen leiden tot slechte of achterblijvende planten ("uitval"), terwijl dit bij gladde knollen slechts 6% is.
De auteur merkt op dat de onderzochte partij "Bintjes" besmet was met het bladrolvirus, wat de resultaten beïnvloed kan hebben, maar neigt naar een fysiologische verklaring voor de zwakke spruiten. Er wordt gerefeerd aan werk van J. Bushnell en F.C. Stewart om de correlatie tussen spruitkracht en plantontwikkeling te onderbouwen. Het document stamt uit een periode (jaren '20 van de 20e eeuw) waarin de aardappelteelt in Nederland sterk geprofessionaliseerd werd. Het aardappelras 'Bintje', in 1904 ontwikkeld door K.L. de Vries, was in deze tijd in opkomst als het belangrijkste consumptieras. Wetenschappelijk onderzoek naar ziekten zoals het bladrolvirus en de selectie op fysiologische kwaliteit (zoals de kracht van de spruiten) was essentieel voor de exportpositie van de Nederlandse pootaardappel. De verwijzingen naar Amerikaanse bronnen (Botanical Gazette en de New York Agricultural Experiment Station) duiden op een internationaal georiënteerde wetenschappelijke context.