Zakelijke brief (doorslag of officiële kopie).
Origineel
Zakelijke brief (doorslag of officiële kopie). 8 februari 1939. De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam). den Heer J. Blits Jr., p/a Van Collem, Wagenaarstraat 61 II, Amsterdam-Oost. 26/7/12 M [handgeschreven:] Verzonden 8/2 [rechtsboven handgeschreven:] M. de Laer
VP/G.
8 Februari 1939.
den Heer J. Blits Jr.,
p/a Van Collem,
Wagenaarstraat 61 II,
Amsterdam-Oost.
Wyk 18.
Naar aanleiding van Uw briefkaart d.d. 2 dezer bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek om uitstel van betaling van marktgeld niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. U is verplicht om het verschuldigde thans onverwyld te betalen, by gebreke waarvan Uw plaats op de markt Dapperstraat zal worden ingetrokken, zulks op grond van de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.
De Directeur, De brief is een formele afwijzing van een verzoek om betalingsuitstel. De heer J. Blits Jr., een marktkoopman op de Dappermarkt in Amsterdam, had per briefkaart verzocht om later te mogen betalen voor zijn standplaats ("marktgeld"). De directeur van de betreffende dienst reageert hierop met een scherpe sommatie: er moet direct betaald worden, anders raakt de heer Blits zijn plek op de markt kwijt.
De toon is ambtelijk en streng, refererend aan het "Reglement op de Markten". Het adres van de ontvanger (Wagenaarstraat 61 II) bevindt zich in de Dapperbuurt, op steenworp afstand van de markt waar hij werkzaam was. De toevoeging "p/a Van Collem" suggereert dat de heer Blits mogelijk inwoonde bij de familie Van Collem of daar zijn post liet bezorgen. Het document dateert van februari 1939, een periode waarin de economische gevolgen van de crisis nog voelbaar waren en de internationale spanningen (vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog) toenamen.
De namen Blits en Van Collem zijn typisch Joods-Amsterdamse namen. De Dapperbuurt en de Dappermarkt hadden in die tijd een grote Joodse bevolkingsgroep. Veel Joodse Amsterdammers waren werkzaam in de ambulante handel. Deze brief illustreert de precaire economische positie van kleine zelfstandigen in die tijd; het niet kunnen betalen van marktgeld betekende direct een bedreiging voor het gezinsinkomen.
In de context van oorlogsarchieven (waaronder die van de Joodse Raad of marktwezen-dossiers uit de bezettingstijd) is dit document van belang omdat het de situatie van Joodse marktkooplieden net vóór de Duitse inval laat zien. Kort na de bezetting in 1940 zouden Joodse kooplieden te maken krijgen met steeds strengere beperkingen en uiteindelijk een totaal verbod op het uitoefenen van hun beroep op de openbare markten. J. Blits M. de Laer Marktwezen