Archiefdocument
Origineel
5 februari 1943 Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale, 's-Gravenhage Aan de geadresseerde veilingsvereeniging NEDERLANDSCHE GROENTEN- EN FRUITCENTRALE
BANKIER: DE TWENTSCHE BANK N.V.
'S-GRAVENHAGE
POSTREKENING No. 224314
No. 105/3/5^a M. 1943 8/2 AAN DE GEADRESSEERDE
VEILINGSVEREENIGING.
====================
D I R E C T I E .
Dict.FA./AK1.
No.16/1943.
Rb.V.V.O.
's-Gravenhage, 5 Februari 1 9 4 3 .
<u>Betreft : prijzen, verdeeling van den aanvoer enz.</u>
Hierdoor deelen wij U mede, dat de voorschriften
vervat in onze circulaire No.13/1943 dd. 29 Januari 1943,
behoudens het onderstaande, gehandhaafd blijven.
<u>Uien.</u>
De percentages van de verdeeling van den aanvoer
bedragen :
export 30 %
binnenland (versch) 70 %
(zie circ.No.15/'43 dd. 3 Februari)
<u>Bosselderij en Peterselie.</u>
Deze moeten minstens 12 cm. lang zijn (gemeten
zonder wortels).
Bosselderij mag ook zonder wortels worden aange-
voerd, mits de planten tenminste 12 cm. lang zijn. De overige
kwaliteitseischen voor deze producten, alsmede de doorsnede
der bossen van tenminste 3 cm. blijven onveranderd.
<u>Koolrabi II(boven 4 cm.)</u> komt voor export in aanmerking. Prijs
<u>f. 7.20 p.% kg.</u>
NEDERLANDSCHE GROENTEN- EN FRUITCENTRALE
[handgeschreven parafen] Dit document is een officiële circulaire waarin de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale instructies geeft aan veilingsverenigingen over de verdeling en kwaliteitsnormen van diverse groenten. De tekst weerspiegelt een strikt gereguleerde markt:
- Kwanto-regulering: Voor uien wordt een exacte verhouding vastgesteld tussen export (30%) en binnenlandse consumptie (70%).
- Kwaliteitscontrole: Er worden specifieke fysieke eisen gesteld, zoals de minimale lengte van 12 cm voor peterselie en selderij, en een minimale diameter voor de bossen.
- Prijsvaststelling: Voor specifieke klassen (Koolrabi II) wordt een vaste exportprijs gedicteerd (f. 7,20 per 100 kg).
De gebruikte spelling (bijv. "deelen", "verdeeling") is conform de toenmalige De Vries-Te Winkel-norm. Het document dateert uit februari 1943, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale maakte deel uit van de dwingende ordening van de voedselvoorziening onder toezicht van de bezetter.
De genoemde "export" van 30% van de uien was in deze context geen vrije handel, maar een verplichte levering aan Duitsland om de Wehrmacht en de Duitse burgerbevolking te voeden. Tegelijkertijd werd de Nederlandse bevolking geconfronteerd met toenemende schaarste en distributiemaatregelen. Dergelijke documenten tonen hoe de bezetter de Nederlandse landbouwproductie systematisch aanstuurde en exploiteerde via een fijnmazig bureaucratisch netwerk van centrales en veilingsverenigingen.