Dienstbrief / Circulaire
Origineel
Dienstbrief / Circulaire 15 mei 1943 No. 105/14/1 M. 1943 1/7
NEDERLANDSCHE GROENTEN-EN FRUITCENTRALE. Rb.V.V.O.
Laan Copes van Cattenburch 62.
Afd.: CONSERVEERING.
Dict.: St.- Typ.: MvN.- AAN DE VEILINGEN.
No. 212/'42.
Toestel 24.
's-Gravenhage, 15 Mei 1943.
Betr.: Rabarber voor de industrie.
Voor zoover van den aanvoer van rabarber het binnenlandsche gedeelte niet voor de versche consumptie wordt opgenomen, mag door U aan de industrie worden toegewezen. Voor deze regeling gelden de volgende bepalingen:
- Er mag alleen aan fabrikanten worden verkocht voor verwerking, wanneer zij in het bezit zijn van een vergunning om rabarber te verwerken.
- Het kwantum, dat de individueele fabrikant mag verwerken, is voorloopig ongelimiteerd. In geval bij U voor bepaalde partijen meerdere gegadigden zijn, dan kunt U onder hen naar billijkheid verdeelen, eventueel daarbij aankoopen in voorgaande jaren in acht te nemen.
- Zoolang voor de binnenlandsche versche consumptie wordt gekocht, mag niet aan de industrie worden toegewezen.
NEDERLANDSCHE GROENTEN-EN FRUITCENTRALE.
(Handtekening)
(Paraaf) Dit document is een officiële richtlijn gericht aan de groenteveilingen in Nederland. Het doel is om de verkoop van rabarber te reguleren in een tijd van schaarste. De kern van de instructie is de hiërarchie van consumptie:
* Prioriteit 1: Verse consumptie door de Nederlandse bevolking.
* Prioriteit 2: De verwerkende industrie (conserveerfabrikanten).
Alleen als er een overschot is nadat de consumentenmarkt is bediend, mag de rabarber naar de industrie. Er worden strikte voorwaarden gesteld: fabrikanten moeten een vergunning hebben en bij schaarste moeten veilingen de voorraad "naar billijkheid" verdelen, waarbij historische afnamecijfers als leidraad dienen. Dit wijst op een strak geleide distributie-economie waarin vrije marktwerking nagenoeg is uitgeschakeld. Het document dateert van mei 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De afkorting Rb.V.V.O. staat voor het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd.
Tijdens de bezetting was de voedselvoorziening volledig gecentraliseerd onder toezicht van de bezetter en Nederlandse overheidsorganen (zoals de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale). Dit was nodig om de rantsoenering in goede banen te leiden en om te voorkomen dat te veel voedsel naar de zwarte markt verdween of ongecontroleerd werd verwerkt. Rabarber was een belangrijk seizoensproduct. Door de industrie pas in tweede instantie toegang te geven, probeerde de overheid de burgerbevolking direct van vers voedsel te voorzien, terwijl de industrie de restanten kon verwerken tot bijvoorbeeld jam of blikconserven voor later gebruik (of voor export naar Duitsland).