Archiefdocument
Origineel
De Directeur (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen Amsterdam). [Handgeschreven:] Verzonden 6/8 Jmp
108/1/1 M. 6 Augustus 1943. VB/SV
markt
Minervaplein.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat in opdracht van den Wirtschaftsreferent bij het Bureau für den Beauftragten für die "Stadt Amsterdam", den heer A. Gombault, op de markt Minervaplein de gelegenheid moet worden gegeven voor den verkoop van textielwaren, waartoe twee plaatsen moeten worden beschikbaar gesteld.
Genoemde markt is bij Besluit van den Burgemeester d.d. 19 Juni 1942, 575 L.M.1942 aangewezen als tijdelijke hulpmarkt uitsluitend voor Joodsche verkoopers, Joodsche koopers en Joodsche bezoekers, met dien verstande, dat op voornoemde hulpmarkt alleen groente en nader aan te wijzen levensmiddelen ter markt mogen worden gebracht.
Ik heb de eer U beleefd te verzoeken wel te willen bevorderen, dat bij Besluit van den Burgemeester de markt aan het Minervaplein wordt aangewezen als tijdelijke hulpmarkt uitsluitend voor Joodsche verkoopers, Joodsche koopers en Joodsche bezoekers, met dien verstande dat op voornoemde markt alleen groente en nader aan te wijzen levensmiddelen en textielwaren ter markt mogen worden gebracht.
De Directeur, * Doel van het schrijven: De directeur verzoekt de wethouder om een formeel besluit van de burgemeester uit te lokken om het assortiment op de "Joodse markt" aan het Minervaplein uit te breiden met textielwaren.
* Dwang vanuit de bezetter: De aanleiding voor dit verzoek is niet een lokale behoefte, maar een directe opdracht van de Duitse bezettingsautoriteiten, specifiek van de Wirtschaftsreferent (economisch referent) A. Gombault. Gombault werkte onder Hans Böhmcker, de Beauftragte (gevolmachtigde) voor Amsterdam.
* Juridische grondslag: Er wordt gerefereerd aan een eerder besluit uit juni 1942, waarmee de markt aan het Minervaplein (Amsterdam-Zuid) officieel werd aangewezen als een gesegregeerde markt.
* Bureaucratische taal: Het document is opgesteld in de toen gebruikelijke, uiterst beleefde en ambtelijke stijl ("heb ik de eer U te berichten", "beleefd te verzoeken"), die in schril contrast staat met de harde realiteit van de Jodenvervolging die erachter schuilgaat. Dit document stamt uit een late fase van de bezetting (augustus 1943). Op dat moment waren de meeste Joodse Amsterdammers al gedeporteerd naar concentratie- en vernietigingskampen. De instelling van aparte "Joodsche markten" in 1941 en 1942 was een onderdeel van het proces van uitsluiting en segregatie: Joodse kooplui mochten niet meer op reguliere markten staan en Joodse burgers mochten daar hun boodschappen niet meer doen.
De markt aan het Minervaplein was een van de specifieke locaties waar de Joodse bevolking in Amsterdam-Zuid naar werd verwezen. Dat er in augustus 1943 nog opdracht wordt gegeven om de verkoop van textiel toe te staan (twee kramen), is opmerkelijk gezien het geringe aantal Joden dat toen nog legaal in de stad verbleef (voornamelijk leden van de Joodse Raad en mensen met tijdelijke vrijstellingen). Mogelijk was dit bedoeld voor de resterende Joodse bevolking om nog aan noodzakelijke goederen te komen, of was het een administratieve afwikkeling van een eerdere bezettersmaatregel.