Handgeschreven verzoekschrift / ambtelijke notitie.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift / ambtelijke notitie. 12 maart 1944 (met een latere aantekening van 2 juni 1944). Directeur [onderstreept]
Jac. Haan (rooker)
verzoekt om in an-
merking te komen
voor scheveningsche
turf.
Heeft tot April
voorraad ingekocht,
door hij gedurende
de wintermaanden
zoogenaamd
geen turf ontvangt.
[In kader links:]
Heeft altijd het beroep
van rooker uitgeoefend
komt m.i. in aan-
merking voor extr. verstr.
[Rechts:]
12-3-44
de Haan [onderstreept]
[Linksonder:]
2/6-44
de Haan
[Midden onder:]
m.i. verzoek in-
willigen Het document is een formeel verzoek van Jac. Haan, die van beroep 'roker' is (waarschijnlijk een visroker). Hij vraagt om in aanmerking te komen voor Scheveningse turf. De argumentatie is dat hij weliswaar voorraad had ingekocht tot april, maar dat hij gedurende de wintermaanden vrijwel geen leveringen heeft ontvangen.
De ambtelijke afhandeling is zichtbaar in de kantlijn en onderaan:
1. Beoordeling (12-3-44): Een ambtenaar (mogelijk ook genaamd De Haan, of hij tekent voor de aanvrager) bevestigt in een omkaderde notitie dat de man inderdaad altijd roker is geweest en naar zijn mening ("m.i." - mijns inziens) in aanmerking komt voor een extra verstrekking ("extr. verstr.").
2. Besluit (2-6-44): Bijna drie maanden later volgt de definitieve goedkeuring met de tekst "m.i. verzoek inwilligen". Dit document stamt uit de late periode van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (maart-juni 1944). In deze tijd was er een enorme schaarste aan brandstoffen zoals steenkool. Turf werd op grote schaal ingezet als alternatief, maar de distributie hiervan was streng gereguleerd via distributiebonnen en toewijzingen.
Voor ondernemers zoals visrokers was de brandstofvoorziening essentieel voor hun voortbestaan. De term "Scheveningsche turf" duidt mogelijk op turf die specifiek voor de Scheveningse (vis)industrie was gereserveerd of via lokale kanalen werd verdeeld. De trage afhandeling (van maart tot juni) illustreert de bureaucratische stroperigheid in een tijd van schaarste en bezetting.