Brief / Verzoekschrift.
Origineel
Brief / Verzoekschrift. 2 augustus 1939. A. Boersma, gevestigd aan de Nieuwmarkt 22 te Amsterdam. [Linksboven in potlood:] mi hup [?]
[Rechtsboven:]
Amst[erdam] – 2 Aug 1939
Den WelEd Geb Heer
Directeur Marktwezen
Amsterdam
[Midden boven, paars stempel:]
Nº 29/23/M. 1939 3/8
Beleefd vraag ik uw aandacht voor ’t volgende.
Sedert vele jaren drijf ik ’n aardappel en groentenhandel op de Nieuwmarkt 22. en detail.
Werk aldaar met 1 bediende, die reeds 17 jaar bij mij werkzaam is en voor zich en de zijnen ’n behoorlijk bestaan verwierf.
Maar door de uitdunning der bevolking in die buurt kan ik mijn, sinds ± 40 jaar bestaande zaak, de laatste jaren met groote zorg en moeite rendabel maken.
Bij deze voortdurende zorg voegt zich vooral des zomers nog eene, in de vorm van ’n straatkoopman die zich tegenover mij-zaak plaatst, aanvankelijk groenten verkoopt na geprofiteerd te hebben van mijn loop, de klanten animeerd ook de aardappelen bij hem te koopen.
’n Koopman die, ’s winters ondersteuning geniet en dan ook nog de vrije - van handelsgeld overstromers der bona-fide handel moeilijkheden in den weg legt. ’n Koopman die aan algemeene exploitatiekosten minder heeft op te brengen dan ik aan precario. ’n Koopman die zich hulp verschaft van eenige lanterfanters en vacantie kinderen waarvoor hij niets of slechts luttele centen behoeft te betalen, ergo van sociale plichten of lasten geen besef heeft.
Deze man nu heeft de laatste tijd, mede door zijn aanmatigend optreden, mij dusdanig gehinderd, dat ik beleefd verzoek hem naar ’n andere zijde van de Nieuwmarkt te doen verplaatsen.
Met de meeste Hoogachting
A Boersma
Nieuwmarkt 22 In deze brief uit augustus 1939 beklaagt winkelier A. Boersma zich over de verslechterende economische omstandigheden van zijn nering op de Nieuwmarkt. De kern van zijn betoog rust op drie punten:
- Demografische krimp: Boersma spreekt over de "uitdunning der bevolking". Dit is een directe verwijzing naar de grootschalige sanering van de Amsterdamse Jodenbuurt en de Lastage (waaronder Uilenburg) in de jaren '20 en '30, waarbij vele krotwoningen werden gesloopt en de oorspronkelijke bewoners naar wijken als Plan West of de Transvaalbuurt trokken. Hierdoor verloor de lokale middenstand zijn directe klantenkring.
- Oneerlijke concurrentie: Hij ageert fel tegen een straatkoopman die voor zijn deur staat. Boersma ervaart dit als onrechtvaardig omdat hijzelf vaste lasten heeft (zoals precariobelasting voor het gebruik van de openbare grond), terwijl de straatkoopman volgens hem profiteert van de "loop" (de passantenstroom) die de winkel genereert.
- Sociale misstanden: Boersma voert morele argumenten aan: de concurrent zou 's winters op de steun (werkloosheidsuitkering) trekken, goedkope "lanterfanters" en kinderen in de vakantie als zwartwerkers inzetten, en zich niet houden aan de "sociale plichten" die voor een gevestigde ondernemer wel gelden.
De toon is respectvol maar dwingend, typerend voor de petitie-cultuur van de vooroorlogse middenstand die zich bedreigd voelde door zowel de economische crisis als de opkomst van ambulante handel. De Nieuwmarkt was in 1939 een levendig maar geteisterd centrum van handel. De brief is geschreven slechts enkele weken voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De term "precario" in de tekst verwijst naar de precariobelasting, een vergoeding die winkeliers aan de gemeente betaalden voor zaken die boven, op of onder gemeentegrond hingen of stonden (zoals markiezen of uitstallingen).
Het document illustreert de spanningen op de Amsterdamse markten tussen de 'vaste' winkeliers en de 'losse' straatverkopers. De Dienst Marktwezen moest in dergelijke conflicten dikwijls bemiddelen. Boersma's verzoek om de man te "verplaatsen" was een veelvoorkomende strategie om het zicht op de eigen etalage en de toegang tot de winkel vrij te houden. De vermelding van "vacantie kinderen" duidt erop dat de brief midden in de zomerstop van de scholen is geschreven.