Getypte ambtelijke brief (doorslag of origineel op kantoorpapier).
Origineel
Getypte ambtelijke brief (doorslag of origineel op kantoorpapier). 1 april [190]9 (gezien de stijl en context waarschijnlijk 1909, mogelijk 1919). De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Publieke Werken of een aanverwante technische dienst). 1 1 April 9
30/9/4 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
Mynerzyds wordt echter betwist, dat zelfs in
principe het bedoelde voorstel juist is. De markten worden
op openbare wegen gehouden, zonder dat aan die wegen ten be-
hoeve van de markten een byzondere eisch wordt gesteld: een
normaal onderhouden weg is ook voor markt geschikt. Ik meen
daarom, dat ik aanvaarding van het voorstel van myn Ambtge-
noot moet ontraden; nog daargelaten, dat in de practyk niets
anders zou worden bereikt dan overboeking van een post der
Begrooting namelyk no.832 op een anderen in hetzelfde hoofd-
stuk namelyk no.834. Veeleer verdient het myns inziens aan-
beveling, wanneer dit noodig zou zyn, no.832 te verhoogen.
Wat tenslotte Uw opmerking betreft, dat de kosten
van bestrating worden bestreden uit inkomsten van erfpacht
en van straatgeld, diene, dat inderdaad in nieuwe wyken,
waar gronden in erfpacht worden uitgegeven, onder andere ook
de kosten van eersten aanleg der straten (met rioleeringen
enz.) voor de berekening van de erfpacht in aanmerking wor-
den genomen; echter niet de kosten van het latere onderhoud
der bestratingen. Bovendien behoort het Waterlooplein tot de
oudere stadsgedeelten, waar de grond meerendeels is verkocht;
in hoeverre by den verkoop destyds ook met de kosten van
straten-aanleg is rekening gehouden, kan niet meer worden
nagegaan; doch ook hier is zeker het latere onderhoud niet
in den prys begrepen geweest. Uw opmerking inzake het straat-
geld onderschryf ik ten volle: dit dient, ook naar myn mee-
ning, onder meer voor het onderhoud der bestratingen.
De Directeur, In deze brief adviseert de directeur (waarschijnlijk van Publieke Werken) de Wethouder voor de Levensmiddelen over een begrotingskwestie met betrekking tot marktterreinen. De kernpunten zijn:
- Beheer van marktwegen: De schrijver betwist een voorstel van een collega-ambtenaar. Hij stelt dat wegen waar markten op worden gehouden geen speciale eisen vereisen; een normale weg volstaat. Hij ziet het voorstel dan ook louter als een administratieve verschuiving tussen begrotingsposten (832 naar 834) zonder praktisch nut.
- Financiering van infrastructuur: Er wordt ingegaan op de bekostiging van wegen. In nieuwe wijken wordt de aanleg (inclusief riolering) verrekend in de erfpacht, maar het onderhoud niet.
- Waterlooplein: De directeur haalt specifiek het Waterlooplein aan als voorbeeld van een oud stadsdeel. Omdat de grond daar lang geleden verkocht is, is niet meer na te gaan of aanlegkosten indertijd verrekend zijn, maar het is zeker dat toekomstig onderhoud niet in die historische verkoopprijs zat.
- Straatgeld: De schrijver is het met de wethouder eens dat het 'straatgeld' (een vroege vorm van gemeentelijke belasting) specifiek bedoeld is voor het onderhoud van de bestrating. De brief illustreert de bureaucratische afstemming binnen de gemeente Amsterdam aan het begin van de 20e eeuw. Het Waterlooplein was indertijd een van de belangrijkste marktlocaties van de stad. De discussie over wie de kosten van de 'slijtage' door markten moet dragen (de marktdienst of de algemene dienst wegenonderhoud), is een klassiek voorbeeld van interdepartementale budgetdiscussies. Het gebruik van de 'y' in plaats van 'ij' (zoals in mynerzyds) was gebruikelijk in de vroege typemachine-orthografie van die periode. Gemeente Amsterdam Publieke Werken