Officiële brief (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen en stempels.
Origineel
Officiële brief (doorslag/kopie) met handgeschreven kanttekeningen en stempels. 19 juni 1920 (geregistreerd op 22 juni 1920). De Wethouder voor de Levensmiddelen (namens deze: Monne de Miranda). De firma de Jong en Koone, Gemeentelijk veilinggebouw, Amsterdam ("ALHIER"). Nº 1356 M. 1920. 22/6 [handgeschreven: Aan Marktmrs. 3e en 4e Afd. / ter kennisn. & terug! / 22/6]
[stempel: DE DIRECTEUR VAN HET MARKTWEZEN. / C.H. Claassen.]
19 Juni 20.
111 AM////
In antwoord op Uw schryven van 31 Mei j.l. aan den Directeur van het Marktwezen, deel ik U mede dat ik het niet gewenscht acht, dat een dergelyke bergplaats, als door U bedoeld, naby het veilinggebouw geplaatst wordt, daar het gebouw zelf, waarin afzonderlyke ruimten voor het bergen van producten en emballage aanwezig zyn, voldoende gelegenheid tot berging biedt. Deze ruimten worden door U echter verhuurd voor doeleinden die [handgeschreven: m] met het marktwezen niets te maken hebben, hetgeen in stryd is met de bedoeling van art. 2 alinea 2 van het met U gesloten contract.
By het toenemende plaatsgebrek is dat ook zeer ongewenscht te meer daar de geringe ruimte op de markt nog in beslag wordt genomen door voertuigen van personen welke bedoelde ruimte[handgeschreven: n] huren.
Op grond van bovenstaande redenen komt het my dus niet gewenscht voor Uw verzoek, tot het plaatsen van een afrastering by den ingang van het veilinggebouw tot berging en afgifte van emballage, in te willigen.
De Wethouder voor de Levensmiddelen.
Get. de Miranda
de firma de Jong en Koone
Gemeentelyk veilinggebouw
ALHIER
[handgeschreven:] Gezien. / De Marktmeesters 3 & 4 / [handtekening] / [handtekening] w.m. In deze brief wijst de Amsterdamse wethouder Monne de Miranda een verzoek af van de firma De Jong en Koone. De firma had gevraagd om een afrastering te mogen plaatsen bij de ingang van het gemeentelijk veilinggebouw om daar emballage (lege verpakkingen zoals kisten of kratten) op te slaan.
De afwijzing is gebaseerd op drie argumenten:
1. Aanwezigheid van ruimte: Het veilinggebouw beschikt reeds over voldoende interne opslagruimte.
2. Contractbreuk: De firma verhuurt de reeds toegewezen interne ruimtes aan derden voor zaken die niets met de markt te maken hebben. Dit is in strijd met hun contract (artikel 2, alinea 2).
3. Logistieke hinder: Er is een algemeen gebrek aan ruimte op het marktterrein. De onrechtmatige huurders van de firma bezetten met hun voertuigen kostbare ruimte op de markt.
De brief is formeel en berstensvol ambtelijke autoriteit, waarbij de wethouder direct wijst op de strijdigheid met de contractuele afspraken. Dit document stamt uit juni 1920 en geeft een inkijkje in het beheer van de markten in Amsterdam kort na de Eerste Wereldoorlog. De genoemde wethouder, Monne de Miranda (SDAP), was een invloedrijk figuur die verantwoordelijk was voor de voedselvoorziening en de marktwezen-hervormingen in de stad.
Het "Gemeentelyk veilinggebouw" maakte deel uit van de inspanningen van de gemeente om de handel in levensmiddelen te centraliseren en te reguleren. In deze periode werd de Centrale Markthal in Amsterdam-West ontwikkeld. De strikte handhaving van contracten en het efficiënte gebruik van de schaarse ruimte op de marktterreinen waren speerpunten van het beleid van De Miranda om de voedseldistributie in de groeiende stad ordelijk te laten verlopen. De brief toont de bureaucratische hiërarchie aan: van de wethouder via de directeur van het Marktwezen naar de uitvoerende marktmeesters op de werkvloer. C.H. Claassen Marktwezen