Archief 745
Inventaris 745-267
Pagina 174
Jaar 1939
Stadsarchief

Gedrukte tekst, waarschijnlijk een fragment uit een economisch-landbouwkundig rapport of boek.

Origineel

Gedrukte tekst, waarschijnlijk een fragment uit een economisch-landbouwkundig rapport of boek. [Pagina 6]

Hieruit blijkt, dat terwijl sommige landen hun productie in de afgeloopen acht jaren met tientallen percenten vergrootten, waaronder Palestina met een toename van 122% de kroon spant, andere landen geen verhoogde productie vertoonen en sommige zelfs een afname. Spanje moet hierbij buiten beschouwing blijven, omdat door den burger-oorlog de normale ontwikkeling gestoord was. Volgens de berichten, is echter geen toenemende oogst uit dit land te verwachten, ook nadat de vrede zal zijn teruggekeerd.
Hoe belangrijk de toename in enkele landen ook moge zijn, de wereldproductie steeg in dezelfde periode slechts van 191.000000 kisten tot 205.000000 d.w.z. een toename van ongeveer 7%.
Het is van belang in dit verband op te merken, dat vrijwel geen enkele der staten, welke een oude citruscultuur hebben, een stijging zijner productie vertoont. Het zijn vrijwel alleen gebieden met een jonge citruscultuur, welke een springende stijging vertoonen. De uitzonderingen zijn Japan met 31% en Italië met 18%.
Voor Italië mag de oorzaak voor de stijging der sinaasappelproductie gezocht worden in de sterke afname der citroencultuur. De citroen wordt meer en meer door de sinaasappel vervangen, nu de citroen door de mal secco op meerdere plaatsen geen loonende cultuur meer is. Voor Japan is geen duidelijke oorzaak aan te geven, vooral niet, omdat Japan voorloopig geen importeeren land is op één der Europeesche markten. Het is niet uitgesloten, dat naast een toenemende consumptie in het land zelve ook Chineesche markten in toenemende mate door Japan van fruit worden voorzien. Ongeveer 73% van het Japansche citrusfruit bestaat uit madarijnen, die voorloopig nog geen groot handelsartikel op de Europeesche markten vormen.
Onder de nieuwe landen neemt Palestina met een vooruitgang van 122% een belangwekkende plaats in. Belangrijker wordt deze nog, indien wij zien, hoe dit fruit geproduceerd wordt. Immers, Palestina is het typische land waar een modern ingerichte cultuur gedreven wordt in talrijke kleinbedrijven. Volgens het Statistical Department of the Jewish Agency of Palestine, zooals door Viteles gepubliceerd, 18) was de grootte der bedrijven in 1937 in ha. aldus :

[Pagina 7]

Tabel 3.

oppervlakte in ha. aantal citrustuinen % van het totaal.
0.1 — 0.4 421 10.9
0.5 — 0.9 575 14.8
1 — 1.9 1277 32.9
2 — 2.9 684 17.7
3 — 4.9 470 12.1
5 — 9 313 8.1
10 — 15 85 2.2
15.1 — 19.9 15 0.4
20 en grooter 36 0.9
3876 100.0

Uit bovenstaande tabel blijkt dan ook, dat 59% minder dan 2 ha. groot was, 30% van 2.— 4.9 ha. en 11% van 5 ha. of meer.
Het aantal bedrijven in Palestina is veel grooter, maar de bovenstaande tabel is wel typisch voor den omvang der citrustuinen. De algemene indruk is dan ook, dat ongeveer 46% der Palestijnsche tuinen 2 ha. of minder groot is.
Deze getallen worden nog interessanter, indien wij weten, dat in deze kleine bedrijven reeds zóóveel geplant werd, dat voor 1943/44 een oogst van ongeveer 24.000000 kisten verwacht mag worden.
Ook in andere landen mogen nog stijgingen der oogsten verwacht worden, zelfs als er niet meer bijgeplant zou worden, hetgeen trouwens in slechts zeer weinig landen het geval is. In de Vereenigde Staten moet een belangrijke toename verwacht worden. Volgens Thompson 14) (pag. 6) waren in 1937 in de Vereenigde Staten rond 525.000 acres (= 210.000 ha) beplant. Hiervan was 93% ongeveer reeds vruchtdragend (iets minder dan 490.000 acres = 196000 ha.). Van de vruchtdragende oppervlakte is ongeveer 26% van 5—10 jaar oud, 21% van 11—15 jaar en rond 53% is ouder dan 15 jaar. Gezien het feit, dat ongeveer 47% van de fruitdragende oppervlakte jonger dan 15 jaar is, dus nog niet vruchtdragend, moet geconcludeerd worden, dat in de volgende jaren nog met een stijgende oogst gerekend moet worden.
Zooals reeds eerder gezegd, kan ook nog een belangrijke stijging in Palestina verwacht worden, terwijl dit ook geldt voor Brazilië en Zuid-Afrika, ook indien in deze landen niet meer geplant zal worden.
Om de waarden van nieuwen aanleg te beoordeelen, moet het natuurlijke herstel der tuinen mede berekend worden. Voor De tekst biedt een statistische vergelijking van de wereldwijde citrusproductie in de jaren dertig en vroege jaren veertig van de 20e eeuw. De kernpunten zijn:

  • Groeiperceptie: Terwijl de wereldwijde productie slechts met 7% steeg, vertoonden "nieuwe" citrusgebieden zoals Palestina een explosieve groei (122%).
  • Verschuivingen in Oude Gebieden: Traditionele producenten bleven achter. In Italië was er wel groei (18%), maar dit kwam door een gedwongen verschuiving: citroenbomen werden vervangen door sinaasappelbomen vanwege de ziekte mal secco. Spanje bleef achter door de Burgeroorlog.
  • Bedrijfsstructuur Palestina: De auteur benadrukt dat de Palestijnse citricultuur (onder auspiciën van de Jewish Agency) modern was ingericht, maar bestond uit zeer veel kleine bedrijven. Tabel 3 toont aan dat bijna 60% van de tuinen kleiner was dan 2 hectare.
  • Toekomstverwachtingen: Op basis van de leeftijd van de bomen (vooral in de VS en Palestina) voorspelt de auteur aanhoudende productiestijgingen, zelfs zonder nieuwe aanplant. Dit document is historisch significant omdat het de economische ontwikkeling van het Britse Mandaatgebied Palestina beschrijft vanuit een zionistisch-economisch perspectief. Het benadrukt de professionalisering en de schaalvergroting van de Joodse landbouw (citricultuur was destijds de belangrijkste exportsector van Palestina).

De referentie naar de "Jewish Agency of Palestine" en de expert Viteles (waarschijnlijk Harry Viteles, een econoom die veel schreef over de coöperatieve beweging in Palestina) plaatst het document in de sfeer van de Joodse opbouw van de toekomstige staat Israël. De data over de Verenigde Staten, Brazilië en Zuid-Afrika tonen aan dat de auteur de Palestijnse productie in een mondiaal competitief kader plaatst. De tekst is waarschijnlijk geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog, aangezien er wordt verwezen naar toekomstige oogsten in 1943/44.

Samenvatting

De tekst biedt een statistische vergelijking van de wereldwijde citrusproductie in de jaren dertig en vroege jaren veertig van de 20e eeuw. De kernpunten zijn:

  • Groeiperceptie: Terwijl de wereldwijde productie slechts met 7% steeg, vertoonden "nieuwe" citrusgebieden zoals Palestina een explosieve groei (122%).
  • Verschuivingen in Oude Gebieden: Traditionele producenten bleven achter. In Italië was er wel groei (18%), maar dit kwam door een gedwongen verschuiving: citroenbomen werden vervangen door sinaasappelbomen vanwege de ziekte mal secco. Spanje bleef achter door de Burgeroorlog.
  • Bedrijfsstructuur Palestina: De auteur benadrukt dat de Palestijnse citricultuur (onder auspiciën van de Jewish Agency) modern was ingericht, maar bestond uit zeer veel kleine bedrijven. Tabel 3 toont aan dat bijna 60% van de tuinen kleiner was dan 2 hectare.
  • Toekomstverwachtingen: Op basis van de leeftijd van de bomen (vooral in de VS en Palestina) voorspelt de auteur aanhoudende productiestijgingen, zelfs zonder nieuwe aanplant.

Historische Context

Dit document is historisch significant omdat het de economische ontwikkeling van het Britse Mandaatgebied Palestina beschrijft vanuit een zionistisch-economisch perspectief. Het benadrukt de professionalisering en de schaalvergroting van de Joodse landbouw (citricultuur was destijds de belangrijkste exportsector van Palestina).

De referentie naar de "Jewish Agency of Palestine" en de expert Viteles (waarschijnlijk Harry Viteles, een econoom die veel schreef over de coöperatieve beweging in Palestina) plaatst het document in de sfeer van de Joodse opbouw van de toekomstige staat Israël. De data over de Verenigde Staten, Brazilië en Zuid-Afrika tonen aan dat de auteur de Palestijnse productie in een mondiaal competitief kader plaatst. De tekst is waarschijnlijk geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog, aangezien er wordt verwezen naar toekomstige oogsten in 1943/44.

Kooplieden in dit dossier 33

K. Kol 761
Bij invoer
Bij invoer
Bij invoer
Bij invoer
M. Reinders 10676
Gr. Brittannië
Januari 1937 -
J. Hartgers 1225.-
Uitgaven tot fob. 950.-
N. Afrika
Vereenigde Staten 1936-'37
Vereenigde Staten 5.9%
V. Amerika 72.766
S.V. 14544
Alle 33 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 4