Getypte ambtelijke brief/adviesnota.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/adviesnota. 18 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen-afdeling van de gemeente Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam (Alhier). [Linksboven:]
24/25/19 M
1
[Midden boven, handgeschreven:]
extra
[Rechtsboven:]
D/G.
18 December 1940.
[Links:]
Toelating Mevr. Goldberg
tot de dag- en weekmarkten.
[Rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 29 November jl. om advies ontvangen stuk no.997 L.M.1940 heb ik de eer U te berichten, dat de in het adres genoemde H. Goldberg is een der drie kooplieden, die krachtens Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 15 November jl. no.997 L.M.1940 zyn gestraft met ontneming voor onbepaalden tyd van het recht om op de markten hier ter stede een plaats te bezetten.
Als gedragslyn is, zooals U bekend, aangenomen, dat de betreffende straf in een voorwaardelyke kan worden gewyzigd, indien de koopman met een ander soort artikelen op de markt wil komen, dan met de artikelen, waarmede hy tot aan zyn straf placht te staan. Als gevolg hiervan is byvoorbeeld de aanvankelyk aan W. Kroonenburg opgelegde straf gewyzigd in een voorwaardelyke.
Adressant vraagt thans, toe te staan, dat Mevr. Goldberg met hetzelfde artikel (zgn. Vogezenhoning), een plaats mag bezetten, als waarmede haar man heeft gestaan. Mynerzyds bestaat hiertegen, gezien den aard van het artikel, geen bezwaar. Goldberg is een standwerker, die in staat was, het artikel als geneesmiddel aan te pryzen; Mevr. Goldberg is hier inderdaad niet toe in staat. De aan Goldberg opgelegde straf dient derhalve gehandhaafd te blyven.
Indien U zich met het bovenstaande kunt vereenigen, geef ik U beleefd in overweging den adressant te doen berichten, dat er geen bezwaar bestaat, Mevr. Goldberg een plaats op de markten te Amsterdam te doen bezetten, onder de uitdrukkelyke voorwaarde, dat haar echtgenoot niet op haar plaats aanwezig mag zyn.
De Directeur, Dit document betreft een ambtelijk advies over een verzoek van een echtpaar (de familie Goldberg) om hun handel op de Amsterdamse markten voort te kunnen zetten.
De kern van de zaak is dat de echtgenoot, H. Goldberg, op 15 november 1940 door het college van B&W voor onbepaalde tijd van de markt is verbannen. Uit de tekst blijkt dat hij een "standwerker" was die "Vogezenhoning" verkocht en dit aanprees als een "geneesmiddel". Dit was waarschijnlijk de reden voor zijn straf (mogelijk wegens misleiding of overtreding van medische claims).
Er bestaat een beleidslijn waarbij zo'n straf kan worden omgezet in een voorwaardelijke straf als de koopman overstapt op een ander product. Mevr. Goldberg verzoekt echter om hetzelfde product (Vogezenhoning) te mogen verkopen. De Directeur adviseert hiermee akkoord te gaan, met de cynische doch pragmatische redenatie dat Mevr. Goldberg, in tegenstelling tot haar man, niet over de retorische gaven beschikt om de honing op problematische wijze als medicijn te verkopen. De Directeur stelt wel een strikte voorwaarde: de gestrafte echtgenoot mag absoluut niet bij de kraam aanwezig zijn. Dit document is gedateerd op 18 december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief in eerste instantie overkomt als een reguliere marktkwestie, is de historische context van groot belang.
- Anti-Joodse maatregelen: De naam "Goldberg" is vanzelfsprekend Joods. In het najaar van 1940 namen de beperkende maatregelen tegen Joodse burgers in rap tempo toe. Hoewel de brief de reden voor de straf van H. Goldberg niet expliciet als racistisch omschrijft, vonden dergelijke uitsluitingen op de markt in deze periode steeds vaker plaats op basis van afkomst.
- Overlevingsstrategie: Het verzoek van Mevr. Goldberg om de handel van haar man over te nemen, kan gezien worden als een poging om het gezinsinkomen te redden onder de steeds vijandiger wordende omstandigheden van de bezetting.
- Bureaucratie onder bezetting: De brief toont hoe de gemeentelijke bureaucratie in Amsterdam in de eerste oorlogsmaanden doordraaide, waarbij ambtenaren zochten naar interpretaties van regels binnen de nieuwe, restrictieve werkelijkheid. De Directeur lijkt hier een technische oplossing te bieden om de vrouw te laten werken, terwijl de straf tegen de man formeel in stand blijft.