Archief 745
Inventaris 745-315
Pagina 26
Dossier 90
Jaar 1940
Stadsarchief

Handgeschreven formele brief (verzoekschrift).

11 januari 1940. Van: Eduard Emil Schrandt. Aan: De Directeur van het Marktwezen, Amsterdam.

Origineel

Handgeschreven formele brief (verzoekschrift). 11 januari 1940. Eduard Emil Schrandt. De Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. Amsterdam 11/jan: 1940.

Den WelEd: Heer Directeur
Marktwezen
Jan v. Galenstraat 14.
Amsterdam (W)

WelEd: Heer

Ondergetekende Eduard Emil Schrandt geb: 12. 7. 99. te
Amsterdam, wonende aldaar Com. Antoninstraat 19 I ;
veroorlooft zich de vrijheid U WelEd: het navolgende mee
te deelen:
dat hij op de markt Alb. Cuypstraat een vaste plaats heeft, № 333
dat hij van Uw dienst een schrijven ontvangen heeft met
kennisgeving dat hij zijn plaats zal verliezen zoo hij die voortaan
niet regelmatig inneemt;
dat hij die plaats gaarne zou willen behouden maar daar
de strenge koude alsmede de slechte tijdsomstandigheden het
onmogelijk maken eenige verdienste te krijgen, en hij niet in
aanmerking komt voor steun en bijsteun, en hij dus geheel
ten laste is van zijn familieleden, en deze niet bij machte
zijn hem nog meerdere ondersteuning te geven dan de meest
noodige levensbehoeften;
veroorlooft hij zich de vrijheid U WelEd. te verzoeken hem
alsnog voorloopig vrijstelling van betaling te willen geven, totdat
de omstandigheden eenigszins verbeterd zijn.
Uw beslissing in deze tegemoetzien de in afwachting met
de meeste hoogachting U WelEd. dienstwillige dienaar

[Handtekening] Schrandt De brief is een formeel rekest van een marktkoopman aan de Amsterdamse overheid. De toon is uiterst beleefd en onderdanig, kenmerkend voor de tijd, waarbij de schrijver over zichzelf in de derde persoon spreekt ("ondergetekende", "hij").

De kern van het probleem is een dreigende uitsluiting: Schrandt heeft een officiële waarschuwing gekregen dat hij zijn vaste standplaats (nummer 333) op de Albert Cuypmarkt zal verliezen als hij deze niet bezet. Hij voert twee dwingende redenen aan waarom hij er momenteel niet staat:
1. De extreme weersomstandigheden: De "strenge koude" maakt handel drijven onmogelijk.
2. Financiële nood: Door de "slechte tijdsomstandigheden" verdient hij niets. Omdat hij geen recht heeft op overheidssteun, is hij afhankelijk van zijn familie, die zelf ook nauwelijks het hoofd boven water kan houden.

Hij vraagt daarom niet om afschaffing, maar om een tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting om zijn felbegeerde vaste plek op de markt te kunnen behouden voor betere tijden. Deze brief is geschreven in een precaire periode in de Nederlandse geschiedenis. In januari 1940 bevond Nederland zich in de fase van de "Mooie Oorlog" of "Phoney War"; de mobilisatie was in volle gang en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog hing boven het land (de Duitse inval zou slechts vier maanden later volgen).

De winter van 1939-1940 was bovendien een van de strengste winters van de 20e eeuw in Nederland. Voor een marktkoopman op de Albert Cuypmarkt betekende dit niet alleen fysieke ontbering, maar ook het wegvlijven van klanten en het bevriezen van handelswaar.

De Albert Cuypmarkt was toen, net als nu, een vitale ader in het Amsterdamse volksleven. Het bezit van een "vaste plaats" was van cruciaal belang voor de bestaanszekerheid van kleine ondernemers. De brief geeft een zeldzaam, persoonlijk inkijkje in de armoede en de strijd om het bestaan van de Amsterdamse "kleine man" aan de vooravond van de bezetting.

Samenvatting

De brief is een formeel rekest van een marktkoopman aan de Amsterdamse overheid. De toon is uiterst beleefd en onderdanig, kenmerkend voor de tijd, waarbij de schrijver over zichzelf in de derde persoon spreekt ("ondergetekende", "hij").

De kern van het probleem is een dreigende uitsluiting: Schrandt heeft een officiële waarschuwing gekregen dat hij zijn vaste standplaats (nummer 333) op de Albert Cuypmarkt zal verliezen als hij deze niet bezet. Hij voert twee dwingende redenen aan waarom hij er momenteel niet staat:
1. De extreme weersomstandigheden: De "strenge koude" maakt handel drijven onmogelijk.
2. Financiële nood: Door de "slechte tijdsomstandigheden" verdient hij niets. Omdat hij geen recht heeft op overheidssteun, is hij afhankelijk van zijn familie, die zelf ook nauwelijks het hoofd boven water kan houden.

Hij vraagt daarom niet om afschaffing, maar om een tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting om zijn felbegeerde vaste plek op de markt te kunnen behouden voor betere tijden.

Historische Context

Deze brief is geschreven in een precaire periode in de Nederlandse geschiedenis. In januari 1940 bevond Nederland zich in de fase van de "Mooie Oorlog" of "Phoney War"; de mobilisatie was in volle gang en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog hing boven het land (de Duitse inval zou slechts vier maanden later volgen).

De winter van 1939-1940 was bovendien een van de strengste winters van de 20e eeuw in Nederland. Voor een marktkoopman op de Albert Cuypmarkt betekende dit niet alleen fysieke ontbering, maar ook het wegvlijven van klanten en het bevriezen van handelswaar.

De Albert Cuypmarkt was toen, net als nu, een vitale ader in het Amsterdamse volksleven. Het bezit van een "vaste plaats" was van cruciaal belang voor de bestaanszekerheid van kleine ondernemers. De brief geeft een zeldzaam, persoonlijk inkijkje in de armoede en de strijd om het bestaan van de Amsterdamse "kleine man" aan de vooravond van de bezetting.

Gerelateerde Documenten 4