Archiefdocument
Origineel
23 juli 1940 no 26/55/1 1940
Westermaat
Aan den Inspecteur
v/h marktwezen
alhier
Bij informatie bij pl: no 190 A de Groot
waarom of hij assistentie had aangevraagd, gaf
hij mij te kennen, dat dit maar bij voorbaat was.
Het zou n.m. kunnen gebeuren dat hij
een handel met een andere koopman had.
Welke koopman kon hij nog niet meedelen.
Wat de assistentie ^van^ Mevr: E Emmerik betreft, dat
zou alleen nodig zijn om eventuele bonnetjes
te schrijven. Ik adviseer U dan ook de gevraagde
assistentie niet toe te staan.
23 Juli 1940
[Handtekening, mogelijk: Hennehoff] Dit handgeschreven document is een interne rapportage binnen een gemeentelijke marktdienst. De auteur (vermoedelijk een controleur of assistent-inspecteur genaamd Westermaat) heeft navraag gedaan bij een zekere A. de Groot, die standplaats (pl:) 190 op de markt bezet.
De kern van het rapport is het scepticisme van de ambtenaar tegenover het verzoek van De Groot om extra hulp (assistentie). De Groot geeft aan dat hij deze hulp preventief ("bij voorbaat") aanvraagt voor het geval hij zaken gaat doen met een nog onbekende derde partij. De specifieke vermelding van Mevr. E. Emmerik suggereert dat zij de beoogde assistente is. De rapporteur concludeert dat haar werkzaamheden beperkt zouden blijven tot het schrijven van "bonnetjes" en vindt dit onvoldoende reden voor een officiële toekenning van assistentie. Het woord "niet" is door de auteur onderstreept voor extra nadruk. Het document dateert van 23 juli 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode begon de schaarste toe te nemen en werd het marktwezen steeds strenger gereguleerd. De vermelding van "bonnetjes" is hierin cruciaal; dit kan verwijzen naar de beginnende distributie en de noodzaak voor een sluitende administratie van goederenstromen op de markt.
De bureaucratische controle op wie er op de markt mocht werken en wie wie mocht assisteren, werd in deze tijd aangescherpt. Ambtenaren van de marktdienst hielden nauwlettend toezicht om illegale handel ("zwarte handel") of onnodige personeelsuitbreiding te voorkomen. Het afwijzen van assistentie kan ook te maken hebben met de strenge vergunningsvoorwaarden die golden voor marktkooplieden in oorlogstijd.