Archief 745
Inventaris 745-330
Pagina 252
Dossier 44
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypt afschrift van een brief.

1940 (exacte dag/maand niet vermeld in de brief zelf, maar geregistreerd onder het jaar 1940). Van: B. Groenteman, Korte Houtstraat 31 III, Amsterdam. Dossier: 333, 46

Origineel

Getypt afschrift van een brief. 1940 (exacte dag/maand niet vermeld in de brief zelf, maar geregistreerd onder het jaar 1940). B. Groenteman, Korte Houtstraat 31 III, Amsterdam. No.46A/11/6 M.1940 AFSCHRIFT.
No.333 L.M.1940.

WelEd.Gestr.Heer.,

De ondergeteekende B.Groenteman is zoo vrij te schrijven als dat wij met ons drieën waren S.Bril en Bleekveld. Aangezien ik verschenen Woensdag bij de Directeur geweest ben en daar ook alles verteld heb en ten antwoord kreeg, dat ik naar de Warmoesstraat moest gaan en daar zei de inspecteur ik heb het veel te druk en U hoort er wel wat van en die twee andere Bril en Bleekveld komen even goed op de vischmarkt en ze zijn net zoo schuldig als B.Groenteman. Nu wou ik U toch zeggen, als dat ik al drie weken huurschuld heb en geen geld heb om te eten en ik vind dat ik genoeg gestraft ben 3 weken niet op de markt te komen en nu nog een zegging krijg voor den tijd van 1 jaar en moet toch eten en vraag U nu beleefd om dat in te trekken zoo verblijf ik in afwachting,

Hoogachtend,
w.g.B.Groenteman,
Korte Houtstraat 31 III,
Amsterdam. De brief is een emotioneel en dwingend verzoek om clementie van een marktkoopman, B. Groenteman. Hij protesteert tegen een opgelegde straf (een ontzegging van de markttoegang voor de duur van één jaar).

De kernpunten van zijn betoog zijn:
1. Gelijkheid van behandeling: Groenteman voert aan dat hij niet alleen was bij het incident waarvoor hij gestraft is; hij noemt S. Bril en Bleekveld als medeschuldigen. Hij klaagt dat zij nog wel op de "vischmarkt" mogen komen terwijl hij wordt uitgesloten.
2. Bureaucracie: Hij beschrijft een gang langs instanties (de Directeur en de politie aan de Warmoesstraat) waarbij hij zich van het kastje naar de muur gestuurd voelt.
3. Economische nood: De schrijver benadrukt zijn precaire financiële situatie: hij heeft drie weken huurschuld en geen geld voor voedsel. De straf van drie weken uitsluiting die hij al heeft ondergaan, vindt hij ruim voldoende.

Het taalgebruik is formeel in de aanhef en afsluiting, maar de tekst zelf is een lange, ongepunteerde zin die de urgentie en wanhoop van de schrijver weerspiegelt. Het document dateert uit 1940, het jaar van de Duitse inval in Nederland. De afzender, B. Groenteman, woonde in de Korte Houtstraat, een straat in de Amsterdamse Jodenbuurt. De naam Groenteman is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam.

Hoewel de brief specifiek lijkt te gaan over een disciplinaire maatregel op de vismarkt, moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de beginnende bezetting. In de loop van 1940 en 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds vaker gedwarsboomd door nieuwe verordeningen en beperkingen. Of deze specifieke "zegging" (ontzegging) een direct gevolg is van anti-Joodse maatregelen of een reguliere disciplinaire straf betreft, is uit dit document alleen niet met zekerheid vast te stellen, maar de locatie en de namen duiden sterk op een Joodse achtergrond van de betrokkenen. De vermelding "AFSCHRIFT" duidt erop dat deze brief werd opgenomen in een officieel dossier, waarschijnlijk van de gemeentelijke marktpolitie of de Dienst der Markten. B. Groenteman S. Bril Politie

Samenvatting

De brief is een emotioneel en dwingend verzoek om clementie van een marktkoopman, B. Groenteman. Hij protesteert tegen een opgelegde straf (een ontzegging van de markttoegang voor de duur van één jaar).

De kernpunten van zijn betoog zijn:
1. Gelijkheid van behandeling: Groenteman voert aan dat hij niet alleen was bij het incident waarvoor hij gestraft is; hij noemt S. Bril en Bleekveld als medeschuldigen. Hij klaagt dat zij nog wel op de "vischmarkt" mogen komen terwijl hij wordt uitgesloten.
2. Bureaucracie: Hij beschrijft een gang langs instanties (de Directeur en de politie aan de Warmoesstraat) waarbij hij zich van het kastje naar de muur gestuurd voelt.
3. Economische nood: De schrijver benadrukt zijn precaire financiële situatie: hij heeft drie weken huurschuld en geen geld voor voedsel. De straf van drie weken uitsluiting die hij al heeft ondergaan, vindt hij ruim voldoende.

Het taalgebruik is formeel in de aanhef en afsluiting, maar de tekst zelf is een lange, ongepunteerde zin die de urgentie en wanhoop van de schrijver weerspiegelt.

Historische Context

Het document dateert uit 1940, het jaar van de Duitse inval in Nederland. De afzender, B. Groenteman, woonde in de Korte Houtstraat, een straat in de Amsterdamse Jodenbuurt. De naam Groenteman is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam.

Hoewel de brief specifiek lijkt te gaan over een disciplinaire maatregel op de vismarkt, moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de beginnende bezetting. In de loop van 1940 en 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds vaker gedwarsboomd door nieuwe verordeningen en beperkingen. Of deze specifieke "zegging" (ontzegging) een direct gevolg is van anti-Joodse maatregelen of een reguliere disciplinaire straf betreft, is uit dit document alleen niet met zekerheid vast te stellen, maar de locatie en de namen duiden sterk op een Joodse achtergrond van de betrokkenen. De vermelding "AFSCHRIFT" duidt erop dat deze brief werd opgenomen in een officieel dossier, waarschijnlijk van de gemeentelijke marktpolitie of de Dienst der Markten.

Genoemde Personen 2

Producten

A.G.F. (Groenten): Groente Kruidenier (Droog): Meel Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis Vis & Zee: Visch

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Politie

Gerelateerde Documenten 6