Ambtelijke brief/rapportage (doorslag of kopie).
Origineel
Ambtelijke brief/rapportage (doorslag of kopie). Na 28 juni 1940 (gebaseerd op de laatste alinea). Met betrekking tot de erkenning van Lindeman als groothandelaar werden mij eenige maanden geleden van Uwentwege vertrouwelijke inlichtingen verstrekt. U deelde mij mede, dat een door den heer Lindeman ingediende aanvrage om erkenning als groothandelaar - mede overeenkomstig mijn advies - in 1938 door alle instanties werd afgewezen, omdat aanvrager niet voldoende opleiding in den groothandel had genoten; hij is namelijk sedert 1911 kleinhandelaar in groenten en fruit geweest. In 1939 heeft de heer Lindeman zijn verzoek om erkenning als groothandelaar herhaald. Ter zake is toen door den Centralen Crisis Contrôledienst een uitvoerig rapport uitgebracht. De heer Lindeman legde, evenals in 1938, verklaringen over van twee veilingbesturen, dat hij als groothandelaar inkocht. Deze verklaringen moeten, naar U mij verklaarde, aldus worden begrepen, dat hij als handelaar groote partijen kocht, hetgeen in den regel groothandelaars doen, doch ook door een inkooper voor verscheidene winkelzaken kan geschieden. U heeft hem in het najaar van 1939 als groothandelaar erkend, omdat U van oordeel is, dat het feit, dat hij nu reeds sedert jaren groote partijen op veilingen koopt, aantoont, dat hij voldoende kennis, ook voor den groothandel, heeft. U zeide mij nog, dat de vraag, of hij inderdaad groothandel drijft, voor Uw Centrale van geen belang is. Uw beslissing werd voorts tevens beinvloed door het aanhangige plan - dat ten gevolge van de huidige omstandigheden nog steeds niet werd uitgevoerd - om het verschil tusschen groot- en kleinhandelserkenningen op te heffen; reeds thans is U soepel bij overschrijving van de eene erkenning naar de andere. Hiervan heeft de heer Lindeman ongetwijfeld geprofiteerd.
U kon evenwel mijn opvatting deelen, dat de heer Lindeman, ondanks zijn erkenning, geen grossier is. Uit het bovenbedoelde rapport van den Centralen Crisis Contrôledienst blijkt, dat hij, althans ten tijde van het onderzoek, - en ik weet niet of sedertdien veranderingen zijn ingetreden - ƒ 10,- per week salaris van elken van zijn zes broers, voor wie hij inkoopt, ontving. Deze salarieering als inkooper is mijns inziens een van de kernpunten van deze aangelegenheid.
Zou de heer Lindeman thans als grossier tot de Centrale Markt worden toegelaten, dan zou dit alleen beteekenen, dat hij als inkooper voor de winkelzaken van zijn broers, ongestoord buiten de Centrale Markt om zou kunnen blijven koopen. Hiermede zou derhalve een zeer ongewenschte ontduiking van het bovenbedoelde verbod om buiten de Centrale Markt te koopen, worden in de hand gewerkt.
Ook na herhaalde overweging ben ik, op grond van het vorenstaande, niet bereid om den heer Lindeman als grossier tot de Centrale Markt toe te laten. In dit verband diene nog, dat mijn standpunt ten deze wordt gedeeld door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam, die op 28 Juni 1940 hebben besloten den heer Lindeman niet als grossier tot de Centrale Markt toe te laten.
De Directeur, * Kern van het geschil: Er bestaat een bureaucreactieve onenigheid over de status van de heer Lindeman. Hoewel hij officieel als "groothandelaar" is erkend door de geadresseerde instantie, weigert de Directeur van de Centrale Markt hem de status van "grossier".
* Argumentatie: De auteur stelt dat Lindeman in feite een loontrekkende inkoper is voor zijn zes broers (die winkeliers zijn). Als hij als grossier wordt toegelaten, zou hij de verplichting om via de Centrale Markt te handelen kunnen omzeilen, wat als "ongewenschte ontduiking" van de regels wordt gezien.
* Spanning tussen instanties: De brief suggereert dat de geadresseerde instantie (mogelijk een rijksdienst voor voedselvoorziening) soepeler omgaat met definities dan de marktmeester en het Amsterdamse gemeentebestuur.
* Juridische basis: De weigering wordt ondersteund door een formeel besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam van 28 juni 1940. * Tijdsbeeld: Het document dateert van kort na de Duitse inval in mei 1940. De "huidige omstandigheden" waarnaar verwezen wordt, duiden op de vroege bezettingsperiode waarin veel plannen voor administratieve hervorming vertraging opliepen.
* Economische regulering: De "Centralen Crisis Contrôledienst" (CCD) was een instantie die in de jaren '30 was opgericht om de Crisis-Instellingswetten te handhaven. Tijdens de bezetting bleven deze structuren bestaan en werden ze vaak aangescherpt voor de distributie- en schaarste-economie.
* De Centrale Markthallen: De Centrale Markthallen in Amsterdam (geopend in 1934) hadden een monopoliepositie op de handel in groenten en fruit. Toegang tot deze markt was cruciaal voor handelaren; uitsluiting betekende een aanzienlijke beperking van de bedrijfsvoering.
* Middenstand en Familiebedrijven: De casus Lindeman illustreert hoe familiebedrijven probeerden de complexe regels van de geleide economie en marktordening te navigeren door functies (zoals gezamenlijke inkoop) informeel te regelen, wat vaak botste met de strakke hokjesgeest van de overheid.