Ambtelijke brief/correspondentie.
Origineel
Ambtelijke brief/correspondentie. 10 juni 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt Amsterdam, gezien de context en de initialen vP/HG). [Handgeschreven rechtsboven:]
ter. Mr. Brauw
ter. Mr. Müller
VP/HG.
66/914 M. n 2
[Handgeschreven:] Amsterdam 10/6-'40.
10 Juni 1940.
Kwijtschelding plaatsgeld Centrale
Markt ten name van J. Posener.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 8 dezer om advies ontvangen stukken no. 508 L.M.1940 heb ik de eer U te berichten, dat ik, overeenkomstig den wensch van Uw Ambtgenoot voor de Financiën aan J. Posener heb meegedeeld, dat hij het verschuldigde plaatsgeld voor beide plaatsen moet betalen en dat hem, zoo noodig, voor de betaling van het plaatsgeld van één plaats, uitstel kan worden verleend. Posener heeft, op mijns inziens alleszins juiste gronden, dringend verzocht hem de gevraagde kwijtschelding te verleenen. Zooals ik bereids in mijn zich onder de stukken bevindend rapport d.d. 25 Mei jl. (No. 66/99/2 M.) meedeelde, verkocht Posener tot nu toe voornamelijk – nu blijkt zelfs nagenoeg uitsluitend – geïmporteerd fruit; hij beroept zich op overmacht, omdat hij thans in het geheel geen dergelijk fruit kan krijgen. Hij is niet op den handel in binnenlandsch fruit – en nog minder op dien in groente of zomeraardappelen – ingesteld en hij zal niet dan met groote moeite op de ééne plaats in de hal, die hij behoudt, in zijn onderhoud kunnen voorzien, met zijn knecht, dien hij wil trachten zoo lang mogelijk in dienst te houden. Posener is sedert ± 25 jaren aan de Amsterdamsche markt gevestigd; hij bezet de beide plaatsen in de hal onafgebroken sedert 1935 en er bestaat mijns inziens alle reden om hem, in de zeer bijzondere omstandigheden, waarin hij thans verkeert, nu hij in financiële moeilijkheden dreigt te komen, op de door hem gevraagde wijze te helpen.
Ik verzoek U mitsdien beleefd wel te willen bevorderen, dat hem alsnog de in mijn bovenaangehaald rapport d.d. 25 Mei jl. voorgestelde kwijtschelding tot een bedrag van f 250,- door Burgemeester en Wethouders wordt verleend.
De Directeur, In dit document pleit de directeur van de markt bij de wethouder voor financiële coulance voor de marktkoopman J. Posener. De kern van het probleem is dat Posener gespecialiseerd is in de handel in geïmporteerd fruit. Door de uitgebroken oorlog en de daaropvolgende bezetting (het is juni 1940, één maand na de capitulatie) is de import van overzees fruit volledig stilgevallen.
De directeur voert verschillende argumenten aan om de kwijtschelding van 250 gulden te rechtvaardigen:
1. Overmacht: Door de internationale situatie kan Posener zijn handel niet voortzetten.
2. Specialisatie: Hij kan niet eenvoudig overstappen op binnenlands fruit of groenten.
3. Sociale aspecten: Hij probeert zijn personeel ("knecht") in dienst te houden ondanks de crisis.
4. Loyaliteit: Posener is al 25 jaar een vaste waarde op de markt.
De toon van de brief is opvallend empathisch voor een ambtelijk schrijven, wat de ernst van de situatie voor de kleine ondernemer in die eerste oorlogsmaand onderstreept. Dit document is gedateerd op 10 juni 1940, minder dan vier weken nadat Nederland capituleerde voor nazi-Duitsland. De brief markeert het begin van de economische ontwrichting door de bezetting. Nederland werd afgesneden van de wereldhandel (met name de handel met het Verenigd Koninkrijk en de VS), wat direct desastreuze gevolgen had voor handelaren in koloniale waren en geïmporteerde goederen zoals zuidvruchten.
Daarnaast is de naam J. Posener historisch relevant. In de context van het Amsterdamse marktwezen en de datum 1940 wijst deze naam (mogelijk Joachim Posener) zeer waarschijnlijk op een handelaar van Joodse afkomst. Hoewel de brief in juni 1940 puur over economische "overmacht" spreekt, zou de situatie voor Joodse marktkooplieden in Amsterdam in de daaropvolgende maanden en jaren door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter drastisch verslechteren, tot zij uiteindelijk in 1941 geheel van de markten werden verbannen. Dit document legt dus een moment vast waarop men nog probeerde de handel met reguliere ambtelijke middelen en "kwijtscheldingen" te redden, vlak voordat de ideologische vervolging de overhand nam.