Ambtelijk rapport/brief (minuut of doorslag).
Origineel
Ambtelijk rapport/brief (minuut of doorslag). "houden" bekend staan. ~~ik ben~~ [6]
thans enkele dagen minstens een uur
des middags in de Ga Evertsenstraat geweest
doch heb nimmer een agent gezien. Verbali-
seeren schijnt de politie daar nimmer
op te treden. Dit is natuurlijk tevens
een belangrijke factor, waarom de venters in
deze straat zoo’n zelfbewuste houding kunnen
aannemen. Zooals u bekend is, is de pers.-
sterkte bij onzen dienst thans
zoodanig, dat niet voldoende personeel beschikbaar
is, om voortdurend en op bepaalde punten toezicht te
houden (dus tegen jagen). Op grond van bovenstaande (moeten)
meen ik u in overweging te geven de onder-
havige aangelegenheid opnieuw aan den W.H.B. te
rapporteeren, onder mededeeling, dat de Evertsen-
straat dwingend om een beslissing in een of andere
richting vraagt, zulks in afwijking dus, van het-
geen u op 27 Maart 1909 onder no. 76/4/1, H.
rapporteerde.
De Inspecteur
wnd. In dit document beklaagt een waarnemend inspecteur zich over de handhaving in de Evertsenstraat. De kern van het probleem is tweeledig:
1. Gebrek aan surveillance: De inspecteur heeft zelf geconstateerd dat er tijdens de middaguren geen enkele politieagent op straat te bekennen is. Hierdoor wordt er niet geverbaliseerd (bekeurd).
2. Brutale straathandel: Door de afwezigheid van gezag nemen de 'venters' (straatverkopers) een "zelfbewuste houding" aan. Ze voelen zich onschendbaar.
De inspecteur erkent dat de oorzaak ligt bij een tekort aan personeel ("pers.-sterkte"), waardoor "tegen jagen" (het aanpakken van illegale straathandel) niet effectief kan gebeuren. Hij adviseert de ontvanger om dit opnieuw te rapporteren aan de "W.H.B." (waarschijnlijk de WelEdel HoogAchtbare Heer, doelend op de Burgemeester), omdat de situatie in deze specifieke straat onhoudbaar is geworden en afwijkt van eerdere rapportages. De Evertsenstraat ligt in het Zeeheldenkwartier in Den Haag. In het begin van de 20e eeuw was dit een levendige wijk waar veel strijd was tussen gevestigde winkeliers en ambulante straathandelaren (venters). De politie had in deze periode vaak te kampen met onderbezetting, terwijl de regels omtrent marktplaatsen en ventvergunningen strenger werden aangetrokken. De term "tegen jagen" verwijst specifiek naar het politioneel optreden tegen venters die zonder vergunning of op verboden plekken hun waren aanboden. Het document geeft een inkijkje in de dagelijkse frictie tussen handhaving, personeelstekorten en de informele economie op straat in 1909.