Archief 745
Inventaris 745-356
Pagina 279
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Notulen/Verslag van een vergadering (pagina 2).

Onbekend, vermoedelijk 1941 (gezien de verwijzing naar "ariseering" en jodenverordeningen).

Origineel

Notulen/Verslag van een vergadering (pagina 2). Onbekend, vermoedelijk 1941 (gezien de verwijzing naar "ariseering" en jodenverordeningen). -2-

De Directeur stelt de vraag of de handel het noodzakelijk acht, dat dezelfde hoeveelheden, wat betreft de stapelproducten, voor reserve in aanmerking komen.

De heer Dijkstra is van mening, hetgeen door den handel wordt onderschreven, dat deze reserveering stellig niet minder mag zijn dan den afgeloopen winter. Er moet rekening worden gehouden met de groote wijzigingen, die gekomen zijn in de menu's der huisvrouwen; de behoeften op dit gebied liggen derhalve heel anders.

De Directeur vraagt hoe het staat met de positie van de vatgroenten. Naar spreker's meening zijn spercieboonen vrijwel niet ingemaakt, pronkboonen zijn wat beter ingemaakt en wat de zuurkool betreft is de positie op het oogenblik vrij goed. De handel onderschrijft dit en zegt, dat men wat zuurkool betreft echter niet kan weten, hoe het over enkele weken zal zijn. Men wijst erop, dat het kwantum aardappelen, dat momenteel wordt verstrekt, zeer groot is, zoodat, in verband daarmede, het groentenverbruik eveneens sterk is gestegen.

De Directeur vraagt of het mogelijk is, dat de handel hem evenals verleden jaar gegevens kan verstrekken ter schatting van de voorraden vatgroenten, die thans bij de winkeliers ongeveer aanwezig zullen zijn. Vorig jaar is gerekend op een verbruik van 400 vaten per week is 12.000 vaten voor een seizoen.

De heer Dijkstra zal trachten hieromtrent een inzicht te krijgen; spreker zegt, dat het Marktwezen op den groothandel kan rekenen en dat men dus thans zal afwachten, totdat men van de Gemeente eenig nader bericht krijgt.

De Directeur zegt, dat een dezer dagen een bespreking zal worden gearrangeerd.


De heer Dijkstra verzoekt thans voor het volgende de aandacht; de handel zit nu hier in haar qualiteit als vertegenwoordigers van de grossiers-organisatie "Onderling Belang". Is het mogelijk, dat de bestuursleden worden ingelicht over den stand der ariseering op de Centrale Markt?

De Directeur antwoordt, dat deze aangelegenheid thans weer wordt bekeken. Spreker schetst de gebeurtenissen van het voorjaar en hetgeen er op het punt van de ariseering zou gebeuren. Deze maatregelen worden thans doorkruist door de betreffende jodenverordening. Er loopen nog verschillende vraagpunten, bijvoorbeeld de vraag of de veilingen openbaar zijn of niet. Er valt omtrent een en ander thans echter nog niets te zeggen. Het zal wellicht wel zoo worden, dat er een apart afgesloten gedeelte voor de jodengrossiers zal worden bestemd.

De heer Dijkstra zegt, dat het zeer ongewenscht is op de markt van structuur te veranderen. Wanneer pier E, waarvan vroeger sprake is geweest, voor de Joden zou worden bestemd, zou dit funest zijn voor den goeden gang van zaken op de Centrale Markt. Deze plaats en ruimte is ten zeerste noodig in de toekomst voor het opstellen van de groenten enz. voor de veiling en voor de centrale emballage inname. Spreker verwacht, dat door de betreffende maatregelen de Joden van de Centrale Markt zullen verdwijnen; zij zullen zich in de omgeving van het Waterlooplein gaan vestigen. Als de Joden van pakhuis E verdwijnen, dan nemen de overige grossiers onmiddellijk de leege pakhuizen over. Wanneer zou worden besloten, dat de Joden op een afgescheiden gedeelte van de Centrale Markt zouden moeten blijven staan, dan is de eenige oplossing, dat zij worden geplaatst op het reserveterrein bij den Haarlemmerweg. Echter in geen geval op pier E. Dit zou door den bestaanden handel op krachtige wijze worden bestreden.

De Directeur zal te zijner tijd deze bezwaren ter kennis brengen van wie zulks aangaat. Ook spreker verwacht echter, dat de Joden zich voor een groot deel elders zullen vestigen. Omtrent een en ander is echter thans nog niets definitiefs bekend.

De heer Dijkstra zegt nog, dat ook de plaatsen in de hal onmiddellijk door niet-Joden zullen worden bezet, wanneer de Joden daar moeten verdwijnen. Dan kunnen ook de groentengrossiers, die thans nog aan den aardappelkant in de open lucht een plaats bezetten, worden verplaatst naar de hal. Dit document is een kille illustratie van de administratieve en economische uitsluiting van de Joodse bevolking tijdens de Duitse bezetting. Het gesprek valt uiteen in twee delen:
1. Logistiek en Voedselvoorziening: Er wordt gesproken over de voorraden "stapelproducten" en "vatgroenten" (zoals zuurkool en bonen). Het valt op hoe de voedselschaarste indirect wordt benoemd: de menu's van huisvrouwen zijn veranderd en er is een grote afhankelijkheid van aardappelen.
2. Segregatie en "Ariseering": Het tweede deel is historisch zeer belastend. De term "ariseering" (verduitsing/arisering) wordt expliciet gebruikt. Er wordt gesproken over het verwijderen van Joodse grossiers van de Centrale Markt.

De toon is zakelijk en bureaucratisch, wat het wrange karakter versterkt: de uitsluiting van een groep burgers wordt behandeld als een logistiek en ruimtelijk probleem. De heer Dijkstra lobbyt namens de niet-Joodse handelaren om Joodse collega's niet alleen te segregeren, maar ze fysiek te laten verplaatsen naar locaties buiten de markt (zoals het Waterlooplein of een afgelegen reserveterrein), zodat hun lucratieve plekken in de hallen en pakhuizen (met name Pier E) vrijkomen voor "niet-Joden". De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam waren het logistieke hart van de voedselvoorziening. Tijdens de bezetting voerden de nazi's een beleid van 'Arisierung', waarbij Joodse ondernemers uit hun functies werden gezet en hun bezit werd onteigend of overgedragen aan niet-Joden.

Uit dit document blijkt dat de Nederlandse beroepsorganisaties (zoals "Onderling Belang") en de marktstaf niet alleen de bevelen uitvoerden, maar ook actief meedachten over hoe de uitsluiting van Joden in hun eigen voordeel kon werken (meer ruimte voor niet-Joodse grossiers). De genoemde "jodenverordening" verwijst naar de reeks antisemitische wetten die door de bezetter werden uitgevaardigd om Joden stapsgewijs uit het openbare en economische leven te bannen. De suggestie om hen naar het Waterlooplein te verplaatsen is typerend, aangezien dit gebied in 1941 werd aangewezen als onderdeel van de Joodse wijk (Judenviertel).

Samenvatting

Dit document is een kille illustratie van de administratieve en economische uitsluiting van de Joodse bevolking tijdens de Duitse bezetting. Het gesprek valt uiteen in twee delen:
1. Logistiek en Voedselvoorziening: Er wordt gesproken over de voorraden "stapelproducten" en "vatgroenten" (zoals zuurkool en bonen). Het valt op hoe de voedselschaarste indirect wordt benoemd: de menu's van huisvrouwen zijn veranderd en er is een grote afhankelijkheid van aardappelen.
2. Segregatie en "Ariseering": Het tweede deel is historisch zeer belastend. De term "ariseering" (verduitsing/arisering) wordt expliciet gebruikt. Er wordt gesproken over het verwijderen van Joodse grossiers van de Centrale Markt.

De toon is zakelijk en bureaucratisch, wat het wrange karakter versterkt: de uitsluiting van een groep burgers wordt behandeld als een logistiek en ruimtelijk probleem. De heer Dijkstra lobbyt namens de niet-Joodse handelaren om Joodse collega's niet alleen te segregeren, maar ze fysiek te laten verplaatsen naar locaties buiten de markt (zoals het Waterlooplein of een afgelegen reserveterrein), zodat hun lucratieve plekken in de hallen en pakhuizen (met name Pier E) vrijkomen voor "niet-Joden".

Historische Context

De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam waren het logistieke hart van de voedselvoorziening. Tijdens de bezetting voerden de nazi's een beleid van 'Arisierung', waarbij Joodse ondernemers uit hun functies werden gezet en hun bezit werd onteigend of overgedragen aan niet-Joden.

Uit dit document blijkt dat de Nederlandse beroepsorganisaties (zoals "Onderling Belang") en de marktstaf niet alleen de bevelen uitvoerden, maar ook actief meedachten over hoe de uitsluiting van Joden in hun eigen voordeel kon werken (meer ruimte voor niet-Joodse grossiers). De genoemde "jodenverordening" verwijst naar de reeks antisemitische wetten die door de bezetter werden uitgevaardigd om Joden stapsgewijs uit het openbare en economische leven te bannen. De suggestie om hen naar het Waterlooplein te verplaatsen is typerend, aangezien dit gebied in 1941 werd aangewezen als onderdeel van de Joodse wijk (Judenviertel).

Gerelateerde Documenten 6