Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie. 9 september 1918. [Links boven, handgeschreven:] No 4645 M. 1918.
[Gedrukte briefkop:]
GEMEENTELIJK LEVENSMIDDELENBEDRIJF
1e Dorpsstraat 15 - Telefoon 320.
ZEIST, den 9 September 1918
No. 795 L.B.
Onderwerp:
Varkensbedrijf
Bericht op schrijven
van 4 dezer
[Rechts boven gedrukt:]
Gelieve bij de beantwoording nummer en datum
van dezen brief aan te halen.
[In de linkermarge, handgeschreven:] in dossier
[Body tekst, getypt:]
In antwoord op in margine aangehaald schrijven heb ik de eer U te melden dat de Gemeente Zeist, alvorens tot het mesten van varkens over te gaan, zich eerst heeft overtuigd of voermeel beschikbaar zou worden gesteld, en na toezegging minstens een wagon daarvan in voorraad wenscht te hebben. Waar dit nog niet het geval is, zijn de varkens nog niet aangeschaft.
DE DIRECTEUR
van het Levensmiddelenbedrijf
[Handgeschreven handtekening: A. Hogesteijn]
Aan
den Heer Directeur
v/h Marktwezen
te Keizersgracht 756
AMSTERDAM.
[Linksonder gedrukt:] 3000-2-5-18. In deze brief reageert de directeur van het Gemeentelijk Levensmiddelenbedrijf van Zeist op een eerdere correspondentie uit Amsterdam. De kern van de boodschap is een blijk van voorzichtig gemeentelijk beleid: men wil pas beginnen met het mesten van varkens (een vorm van voedselproductie in eigen beheer) zodra de toevoer van veevoer gegarandeerd is.
De schrijver stelt de harde voorwaarde dat er eerst een "wagon" (waarschijnlijk een spoorwagon) aan voermeel fysiek op voorraad moet zijn voordat de gemeente overgaat tot de aankoop van de varkens zelf. Dit duidt op een grote onzekerheid in de distributieketen van die tijd; men durfde niet te vertrouwen op louter beloftes van levering. De brief is gedateerd op 9 september 1918, slechts twee maanden voor het einde van de Eerste Wereldoorlog. Hoewel Nederland neutraal was, werd het land zwaar getroffen door de economische blokkades. Er heersten grote tekorten aan voedsel, brandstof en grondstoffen.
Om de voedselvoorziening te waarborgen en woekerprijzen tegen te gaan, richtten veel gemeenten een 'Levensmiddelenbedrijf' op. Deze instanties hielden zich bezig met de distributie van gerantsoeneerde goederen en soms ook met eigen productie. De schaarste aan graan en meel was in 1918 kritiek; graan was primair nodig voor menselijke consumptie (brood), waardoor veevoer (voermeel) uiterst schaars en streng gereguleerd was. Het feit dat Zeist communiceert met het Marktwezen in Amsterdam suggereert dat Amsterdam een centrale rol speelde in de toewijzing of distributie van deze schaarse voorraden.