Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 21 juli 1942. Nº 30/40 h M. 1942 22/7
Amsterdam, 21 Juli 1942.
Mijne Heeren,
Hierbij wil ik de staanplaats, welke ik inneem op de Joodsche Markt op het Waterlooplein, overzetten op mijn zoon Mozes Franschman, gezien de onderstaande feiten.
Ik heb een zaak in zuurwaren en een volksvoeding (heete boonen, waarvoor ik steeds een toewijzing van de Distributiedienst ontvang) waarbij ik steeds geassisteerd werd door mijn zoon Jacob Franschman (de Fa. naam is dan ook J. Franschman & Zn.) welke eenige maanden geleden naar het Rijkswerkkamp moest opkomen.
Gezien ik ziekelijk ben, kan ik nooit alleen op mijn standplaats staan en moet ik geassisteerd worden, wat dan ook werd overgenomen door mijn anderen zoon Mozes Franschman.
Daar ik door mijn ziekte in 't geheel niet meer kan staan en de standplaats nog steeds op mijn naam staat, kan zodoende mijn zoon alleen niet staan.
Hij is in 't bezit van een "personeel kooper kaart" van de Centrale Groentenmarkt en is geboren den 7 Maart 1927.
Uw berichten hieromtrent gaarne zoo spoedig mogelijk tegemoet ziende, terwijl ik steeds gaarne Uw mdn –
[onleesbaar/paraaf]
30 In deze brief verzoekt een Joodse marktkoopman (vermoedelijk J. Franschman, gezien de firmanaam) om zijn staanplaats op de Joodse markt aan het Waterlooplein officieel over te dragen aan zijn zoon Mozes. De brief schetst een schrijnend beeld van de gezinssituatie en de economische overlevingsdrang tijdens de bezetting:
- Arbeidsinzet: De oudste zoon, Jacob, die de vader hielp in de zaak (J. Franschman & Zn.), is door de bezetter opgeroepen voor een "Rijkswerkkamp". Dit duidt op de gedwongen tewerkstelling van Joodse mannen die voorafging aan de grootschalige deportaties.
- Gezondheid en Noodzaak: De vader is fysiek niet meer in staat de handel te drijven ("ziekelijk"). Omdat de vergunning strikt op naam staat, mag de jongere zoon Mozes (op dat moment slechts 15 jaar oud, geboren in 1927) de plek niet officieel alleen bemannen zonder deze overdracht.
-
Handelswaar: De zaak verkoopt zuurwaren en "volksvoeding" (hete bonen). Het feit dat hij hiervoor een toewijzing van de Distributiedienst krijgt, onderstreept dat dit een essentiële, zij het minimale, vorm van voedselvoorziening was binnen de Joodse gemeenschap. Dit document stamt uit juli 1942, een cruciaal en gitzwart moment in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland.
-
De Joodsche Markt: Sinds eind 1941 mochten Joden alleen nog handel drijven op specifiek aangewezen "Joodsche markten". De markt op het Waterlooplein was een van de bekendste. Niet-Joden mochten deze markten niet bezoeken.
- Begin van de deportaties: Juli 1942 was de maand waarin de grootschalige deportaties vanuit Nederland naar de vernietigingskampen (via Westerbork) begonnen. De eerste trein vertrok op 15 juli 1942, slechts zes dagen voor deze brief werd geschreven.
- Rijkswerkkampen: De verwijzing naar het "Rijkswerkkamp" waar zoon Jacob heen moest, betreft de kampen in Noord- en Oost-Nederland (zoals kamp Vledder of Conrad). Deze kampen werden in oktober 1942 leeggehaald, waarna de dwangarbeiders direct naar Westerbork en verder werden getransporteerd.
De brief is een formele poging om binnen de verstikkende regels van de bezetter de broodwinning van het gezin veilig te stellen, terwijl de wereld om hen heen in sneltreinvaart instortte. J. Franschman Puls