Notulen van een ambtelijke bespreking.
Origineel
Notulen van een ambtelijke bespreking. 24 februari 1942. VD/HG.
N o t i t i e s van een bespreking op Dinsdag 24 Februari 1942 ten kantore van den Dienst van het Marktwezen van den Directeur van het Marktwezen, den heer C.F. Sixma, de heeren J.J. Sieburgh, J. Broerse en H.A. van Duinhoven van het Marktwezen en de heeren Jonkheer A.C. Roëll, Hoofd van de Afdeeling Vervoer van het Bureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd, C. Scholvinck, waarnemend Chef van den Autobevrachtingsdienst in Den Haag, J. Visser, Chef van de Afdeeling Motorbrandstofwegverkeer van het Departement van Waterstaat, F. van Meurs, Gemeentelijk Adviseur, Ir. Janssonius van den dienst Publieke Werken, en Breuning en Van Brienen van de Rijksverkeersinspectie te Amsterdam.
O n d e r w e r p : Ombouw op persgas van tuindersauto's.
De heer Sixma herinnert aan zijn brief van 5 Januari jl. aan het Bureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd inzake het vervoer van tuindersproducten naar de Centrale Markt en de moeilijkheden, die hiermede in het aanstaande voorjaar zijn te verwachten in verband met de benzineschaarschte. In de maand Mei kan de groote aanvoer van de tuindersbedrijven rondom Amsterdam worden verwacht en om dit vervoer te kunnen opvangen is het noodzakelijk, dat een aantal tuindersauto's wordt omgebouwd voor het gebruik van geperst gas. Het blijkt, dat reeds 54 vergunningen voor een dergelijke ombouw door de betreffende instanties zijn verleend, doch het is mogelijk, gezien de kwaliteit der betreffende auto's, dat misschien niet meer dan 40 van deze auto's zullen worden omgebouwd. Aangezien de tuinders zelve deze ombouw niet kunnen bekostigen, dient de betreffende financiering van overheidswege te worden bekeken. Hierbij moet direct de vraag gesteld worden of een dergelijke zaak productief is te maken. Het is namelijk gebleken, dat de betreffende kosten binnen twee jaar moeten zijn opgebracht, omdat de gasinstallatie, naar men aanneemt, niet langer dan twee jaar meegaat. Het eerste en belangrijkste probleem is derhalve de questie van de financiering. Waar echter met het ombouwen geruime tijd is gemoeid, dient, zoolang een en ander nog niet is tot stand gekomen een tijdelijke oplossing te worden gezocht. Dit probleem moet derhalve in de tweede plaats worden bezien.
De heer Roëll zegt ten aanzien van de financiering, dat hij oorspronkelijk had gedacht aan inschakeling van particulieren of banken. Na onderzoek is hem echter gebleken, dat dit een niet zeer hoopvol vooruitzicht heeft, omdat dergelijke banken in de eerste plaats een rente verlangen van 7% 's jaars, terwijl men de betreffende auto in onderpand verlangt. In de praktijk zal van een oplossing in deze richting dus niet veel terecht komen. Daarom moet getracht worden in een andere richting een oplossing te vinden. Hierbij heeft spreker de zaak aldus gezien, dat primair is: het gemeentebelang.
De heer Sixma: Het gaat hier evengoed om tuindersbelangen en exportbelangen.
De heer Roëll: Deze komen in de tweede plaats. Het consumentenbelang treedt echter in de eerste plaats en derhalve lijkt het logisch, dat de Gemeente overgaat tot credietverleening. De aflossing zou dan ook aan de Gemeente moeten plaatsvinden. De vrachttarieven zouden dan gebaseerd moeten worden op een aflossing binnen twee jaar. Het is wellicht mogelijk, dat de Gemeente een renteloos voorschot geeft of een crediet tegen een zeer lage rentevoet.
De heer Van Meurs kan de redeneering van den heer Roëll op het hoofdpunt niet volgen. De betreffende zaak is een primair landsbelang. De moeilijkheden zijn immers ontstaan door de tijdsomstandigheden en het Rijk heeft hierin aanleiding gevonden om de voedselvoorziening ter hand te nemen. In principe zou dus het Rijk alle maatregelen ten deze moeten nemen. Amsterdam als Gemeente behoeft dus niets te doen. Indien dit ook werkelijk zou gebeuren, dan zou het Rijk toch verplicht zijn om de zaak aan te pakken. Spreker acht het derhalve niet juist, dat de activiteit van de Gemeente door het Rijk zou worden beloond met het opleggen van de door de bijzondere maat-
(einde pagina) Dit document biedt een uniek inkijkje in de logistieke en financiële uitdagingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Door de blokkades en oorlogsvoering was er een kritiek tekort aan brandstoffen zoals benzine. Om de voedselvoorziening van de stad Amsterdam te waarborgen, moesten vrachtwagens van tuinders worden omgebouwd om op persgas te rijden.
De kern van de discussie is een bureaucratisch en financieel conflict:
1. De Noodzaak: Men verwacht in mei 1942 een grote aanvoer van producten, maar er zijn onvoldoende voertuigen rijklaar door brandstoftekort.
2. De Kosten: Een gasinstallatie gaat slechts twee jaar mee, wat de investering riskant maakt.
3. De Financiering: Particuliere banken vragen een te hoge rente (7%) en eisen de auto's als onderpand, wat voor de tuinders onmogelijk is.
4. Het Conflict: De heer Roëll (Voedselvoorziening) vindt dat de Gemeente Amsterdam moet betalen omdat het in het belang van de Amsterdamse consument is. De heer Van Meurs (Gemeentelijk Adviseur) stelt echter dat dit een "landsbelang" is. Hij is bang dat als de gemeente het initiatief neemt, de Rijksoverheid de kosten simpelweg op de stad afschuift, terwijl de schaarste een nationaal probleem is veroorzaakt door de oorlog ("tijdsomstandigheden"). In februari 1942 zat Nederland midden in de Duitse bezetting. De economie was volledig ondergeschikt gemaakt aan de Duitse oorlogsindustrie en de schaarste aan alles – van brandstof tot voedsel – nam snel toe.
Persgas- en houtgasgeneratoren waren in deze periode een veelgezien fenomeen op voertuigen die nog mochten rijden. De "Centrale Markt" waarnaar verwezen wordt, is de Centrale Markthallen in Amsterdam-West, destijds het zenuwcentrum voor de voedseldistributie in de regio. De discussie over "gemeentebelang" versus "landsbelang" illustreert de spanning tussen lokale besturen en het centrale gezag onder toezicht van de bezetter, waarbij iedereen probeerde de financiële lasten van de oorlogssituatie bij een ander neer te leggen.