Handgeschreven brief (vermoedelijk een aangifte of verklaring).
Origineel
Handgeschreven brief (vermoedelijk een aangifte of verklaring). 31 mei 1942. [Pagina 1]
Amsterdam 31-5-42
Waarde heer Wolf
daar ik heden morgen de linden
gracht passeerden en constateerde
dat er bij de Wed: Koning
Lindengracht 162 2 kisten gerookte
en 2 kisten versche aal door de wel
bekende Janse en zijn helpers
naar binne wert gedragen
aan gezien de visch op de markt
ver kocht moet worden komt
mij dit vreemd voor
volgens mijn in zicht is het niet
geoorloofd ver zoek ik u er zoo
spoedig mogelijk een eind aan
te maken
[Pagina 2]
Dit moet er nog bij
ter wijl wij het hebben
ge zien en u colega aan de
over zijde op zijn viets voor
bij reet het niet zag of het
niet wou zien
[Rode aantekening rechtsonder]
Opberge
Klacht wegens handelingen
Janse reeds
doorgezonden
aan B.E.C. [?]
9-6-42
[onleesbare paraaf] Het document is een verklaring of tip van een ooggetuige die melding maakt van mogelijke illegale handel (zwarthandel) tijdens de Duitse bezetting. De schrijver rapporteert dat er vier kisten paling (twee gerookte, twee verse) buiten de markt om werden afgeleverd bij een particulier adres aan de Lindengracht 162 in de Amsterdamse Jordaan.
De brief is doorspekt met verontwaardiging, vooral omdat de schrijver opmerkt dat een voorbijrijdende collega van de aangeschrevene de situatie negeerde ("niet zag of het niet wou zien"). De spelling is fonetisch en bevat diverse taalfouten ("viets" voor fiets, "binne" voor binnen, "in zicht" voor inzicht), wat duidt op een opsteller uit de arbeidersklasse.
De rode aantekeningen laten zien dat de klacht serieus is genomen. Er wordt verwezen naar de B.E.C. (Bureau Economische Controledienst), de instantie die tijdens de oorlog belast was met de bestrijding van prijsopdrijving en zwarte handel. De zaak tegen "Janse" was blijkbaar al bekend of in behandeling. In mei 1942 was de schaarste in bezet Nederland al aanzienlijk. Alle levensmiddelen, inclusief vis, waren strikt gerantsoeneerd en mochten alleen via officiële kanalen (zoals de markt met distributiebonnen) worden verkocht. Het direct leveren aan huis werd gezien als een economisch delict.
Dergelijke aangiftes kwamen tijdens de bezetting veelvuldig voor, soms uit plichtsbesef of jaloezie, maar vaak ook omdat de zwarte handel de reguliere voedselvoorziening voor de gewone burger in gevaar bracht. De Lindengracht was destijds een bekende marktlocatie, wat de observatie van de schrijver aannemelijk maakt. De brief geeft een rauw inkijkje in de sociale controle en de overlevingsstrategieën in de Jordaan tijdens de oorlogsjaren.