Getypte brief (doorslag of kopie) met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte brief (doorslag of kopie) met handgeschreven kanttekeningen. 3 juni 1942. De waarnemend (wnd.) Directeur (vermoedelijk van de vismarkt of een keuringsinstantie te Amsterdam). Den Heer Directeur der Nederlandsche Visscherijcentrale, Den Haag. [Handgeschreven: Verzonden 4/6 [Paraaf]]
vD/HB.
den Heer Directeur der
Nederlandsche Visscherijcentrale,
Jul.v.Stolbergplein 3-4,
Den Haag.
46A/271/1 M. 3 Juni 1942.
Hiermede bericht ik U, dat op 2 dezer door W.Muurling, Oppen-
huizen, via Seymonsbergen is ingezonden: 160 ½ kg dunne zwarte
aal; bij de geheele partij was niet één dikkere aal, integendeel
de meeste exemplaren hadden precies de maat, terwijl zich nog
9 pond ondermaatsche aal bij de zending bevond; de rivierpolitie
alhier, heeft deswege tegen Muurling reeds proces-verbaal opgemaakt.
Aangezien kan worden aangenomen, dat Muurling deze partij
speciaal voor Amsterdam heeft uitgezocht("uitgekamd"), verzoek ik
U, tegen genoemden grossier maatregelen te nemen.
De Directeur,
wnd. In deze brief rapporteert de waarnemend directeur van een Amsterdamse instantie (waarschijnlijk de vismarkt) een overtreding door een visgrossier aan de overkoepelende Nederlandsche Visscherijcentrale.
De kern van de klacht is dat de grossier W. Muurling uit Oppenhuizen een partij van 160,5 kg paling (aal) heeft geleverd die van zeer matige kwaliteit was en deels illegaal. De aal was "dun" en "zwart", en de partij bevatte geen enkel dikker exemplaar. Bovendien was 9 pond van de vis "ondermaats", wat betekent dat de vissen kleiner waren dan de wettelijk toegestane minimummaat.
De rivierpolitie in Amsterdam heeft hiervoor al een proces-verbaal opgemaakt. De afzender gaat echter verder en beschuldigt Muurling ervan de partij bewust te hebben "uitgekamd": hij zou de betere vis elders hebben afgezet en de restanten, inclusief de illegale vis, specifiek naar Amsterdam hebben gestuurd. De afzender verzoekt de Visscherijcentrale om aanvullende tuchtmaatregelen tegen de grossier. De brief dateert uit juni 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de voedselvoorziening strikt gereguleerd en was er sprake van groeiende schaarste.
De Nederlandsche Visscherijcentrale (NVC) was een door de bezetter gecontroleerd orgaan dat toezicht hield op de visserijsector, de prijzen en de distributie van vis. Strenge regels met betrekking tot de minimummaten van vis waren essentieel om overbevissing te voorkomen en de toekomstige voedselvoorziening veilig te stellen.
Het verhandelen van ondermaatse vis of het sjoemelen met de kwaliteit werd in deze context gezien als een economisch delict. De term "uitgekamd" suggereert dat de grossier de betere kwaliteit vis mogelijk op de zwarte markt heeft verkocht of heeft achtergehouden, wat in oorlogstijd zwaar werd opgenomen. Amsterdam, als grote stad, was voor haar voedselvoorziening volledig afhankelijk van de aanvoer van dergelijke grossiers en was extra kwetsbaar voor dit soort praktijken. G. Peetersen W. Muurling