Archief 745
Inventaris 745-383
Pagina 20
Dossier 100
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtelijke brief / Aangifte

13 oktober 1942 Van: A.H. de Haer, Inspecteur bij den Dienst van het Marktwezen te Amsterdam Aan: De heer Schreuder, Commissaris der 2e Sectie (Bureau Adm. de Ruyterweg, Amsterdam-West)

Origineel

Ambtelijke brief / Aangifte 13 oktober 1942 A.H. de Haer, Inspecteur bij den Dienst van het Marktwezen te Amsterdam De heer Schreuder, Commissaris der 2e Sectie (Bureau Adm. de Ruyterweg, Amsterdam-West) dH/HB. Amsterdam, 13 October 1942.

Nº 46A/321/22A M. 1942 5/12

Aan den Heer Schreuder,
Commissaris der 2e Sectie,
Bureau Adm. de Ruyterweg,
Amsterdam-West.

Ondergeteekende, A.H. de Haer, Inspecteur bij den Dienst van het Marktwezen te Amsterdam, heeft de eer het volgende onder Uw aandacht te brengen.

Op heden, den 12den October 1942, des voormiddags ± 11 uur, vervoegde zich bij mij, op het kantoor van den Dienst van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, de koopman Leonardus Petrus Rustenburg, geboren den 15en Mei 1911, wonende Wagenaarstraat 116 I, alhier, die mij verzocht voor toewijzing van mosselen in aanmerking te komen.

Ik deelde Rustenburg mede, dat hij voor onbepaalden tijd van de verdeeling van visch was uitgesloten en hem dientengevolge geen mosselen konden worden toegewezen.

Rustenburg voegde mij hierop toe: "Indien ik geen mosselen krijg, ga ik naar Den Haag, naar de Nederlandsche Visscherijcentrale en deel daar mede, dat U met de mosselencombinatie knoeit".

Op mijn uitnoodiging is Rustenburg toen onmiddellijk meegegaan naar den Directeur van het Marktwezen, den Heer C.F. Sixma en heeft tegenover genoemden Directeur op mijn verzoek opgemelde beschuldiging herhaald.

Hierbij was tevens tegenwoordig de Heer H. Steenbeek, adjunct-bedrijfschef van de Centrale Markt.

In verband met de door L.P. Rustenburg geuitte beschuldiging, waardoor ik mij in mijn goeden naam als ambtenaar voel aangetast, verzoek ik U tegen dien persoon een strafrechterlijke vervolging te willen instellen.

Hoogachtend,
De Inspecteur v.h. Marktwezen,

(A.H. de Haer). De brief is een formeel verzoek van een gemeenteambtenaar aan de politiecommissaris om een burger te vervolgen. De aanleiding is een verbale beschuldiging van corruptie. De heer Rustenburg, een koopman, was blijkbaar uitgesloten van de visdistributie (mogelijk als strafmaatregel of wegens gebrek aan vergunningen). Wanneer hem mosselen worden geweigerd, beschuldigt hij inspecteur De Haer ervan te "knoeien" met de "mosselencombinatie".

Opvallend is de procedurele zorgvuldigheid van de inspecteur: hij laat de beschuldiging direct in het bijzijn van getuigen (de directeur en de adjunct-bedrijfschef) herhalen voordat hij tot aangifte overgaat. De toon is strikt zakelijk en autoritair, kenmerkend voor de ambtelijke correspondentie uit die periode. Het document dateert uit oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening volledig onderworpen aan het distributiestelsel. De 'Dienst van het Marktwezen' en de 'Centrale Markt' (gevestigd aan de Jan van Galenstraat) speelden een cruciale rol in de toewijzing van schaarse goederen aan handelaren.

Beschuldigingen van corruptie of favoritisme kwamen in deze jaren van schaarste veelvuldig voor. Voor een ambtenaar was de "goede naam" essentieel om gezag te kunnen blijven uitoefenen onder de moeilijke omstandigheden van de bezetting. De 'Nederlandsche Visscherijcentrale' waarnaar Rustenburg verwijst, was een door de bezetter ingesteld orgaan dat de totale controle over de vissector had. Een dergelijke aangifte kon voor een burger in oorlogstijd ernstige gevolgen hebben, aangezien de rechtsstaat onder druk stond en de straffen voor het ondermijnen van het ambtelijk gezag zwaar konden zijn.

Samenvatting

De brief is een formeel verzoek van een gemeenteambtenaar aan de politiecommissaris om een burger te vervolgen. De aanleiding is een verbale beschuldiging van corruptie. De heer Rustenburg, een koopman, was blijkbaar uitgesloten van de visdistributie (mogelijk als strafmaatregel of wegens gebrek aan vergunningen). Wanneer hem mosselen worden geweigerd, beschuldigt hij inspecteur De Haer ervan te "knoeien" met de "mosselencombinatie".

Opvallend is de procedurele zorgvuldigheid van de inspecteur: hij laat de beschuldiging direct in het bijzijn van getuigen (de directeur en de adjunct-bedrijfschef) herhalen voordat hij tot aangifte overgaat. De toon is strikt zakelijk en autoritair, kenmerkend voor de ambtelijke correspondentie uit die periode.

Historische Context

Het document dateert uit oktober 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening volledig onderworpen aan het distributiestelsel. De 'Dienst van het Marktwezen' en de 'Centrale Markt' (gevestigd aan de Jan van Galenstraat) speelden een cruciale rol in de toewijzing van schaarse goederen aan handelaren.

Beschuldigingen van corruptie of favoritisme kwamen in deze jaren van schaarste veelvuldig voor. Voor een ambtenaar was de "goede naam" essentieel om gezag te kunnen blijven uitoefenen onder de moeilijke omstandigheden van de bezetting. De 'Nederlandsche Visscherijcentrale' waarnaar Rustenburg verwijst, was een door de bezetter ingesteld orgaan dat de totale controle over de vissector had. Een dergelijke aangifte kon voor een burger in oorlogstijd ernstige gevolgen hebben, aangezien de rechtsstaat onder druk stond en de straffen voor het ondermijnen van het ambtelijk gezag zwaar konden zijn.

Locaties

Amsterdam

Ambtenaren

Bedrijfschef

Gerelateerde Documenten 6