Archiefdocument
Origineel
2 december 1942 Weduwe J. Pootjes Wassenaar [Bovenaan rechts:] 422
[Bovenaan links:] Amsterdam 2 Dec 1942
No 46^A/321/131 ^c [Paars stempel:] M. 1942 5/12
Geachte Heer Directeur
In antwoord op u brief № 46a/321/
131 datum 24 Nov 1942 waarin ik ben
geschorst geworden om dat ik de toe-
geweren dal niet in zijn geheel op
de markt plaats had verkocht wilde
ik u uitleggen dat het mijn schuld
eigelijk niet was. Ten eerste had ik
pas 4 dagen op bed gelegen met
desentie en mijn zoon er mee naar
de markt gestuurd. Deze had ook
nog een verkeerde helper die een
pond of 5 nog achter de kar ook
maar gaf. En op die portie aal
die zoo van de vismarkt af kwam
mijn kar daar was ook nog schraal
4 pond op te kort wat u kan
informeeren bij Frans v Beek de man
die het voor Oost van de afslag haalt.
En als men dan op laat bellen naar
de vis markt dan word gezegd volgende
keer een doorslag. dus die schade heb
men dan ook nog op zoon klein portie
aal. Hopende dat de schorsing niet
te lang zal duren zoo teekent ik mij
Wed J. Pootjes Wassenaar. In deze brief verweert de weduwe Pootjes Wassenaar zich tegen een schorsing die zij heeft gekregen. De aanleiding was dat zij haar toegewezen partij ("dal", waarschijnlijk bedoeld als 'deel' of 'portie') vis niet volledig op de markt had verkocht. Ten tijde van de oorlog was dit een ernstige overtreding, omdat het kon duiden op handel op de zwarte markt.
De schrijfster voert drie belangrijke redenen aan voor de onregelmatigheden:
1. Ziekte: Ze leed aan "desentie" (dysenterie) en kon zelf niet op de markt staan.
2. Menselijke fouten: Haar zoon nam het werk over, maar werd bijgestaan door een onbetrouwbare helper die onzorgvuldig met de voorraad omging ("achter de kar ook maar gaf").
3. Leveringsfout: Ze claimt dat de partij paling ("aal") bij aankomst al 4 pond lichter was dan op papier stond ("schraal"). Ze voert hierbij een getuige aan, Frans v Beek.
Het taalgebruik is informeel en bevat fonetische spellingen ("u brief", "eigelijk", "teekent ik mij"), wat duidt op een schrijfster uit de arbeidersklasse die op eigen kracht haar recht probeert te halen bij de autoriteiten. Het document stamt uit december 1942, de periode van de Duitse bezetting waarin schaarste de boventoon voerde. Voedseldistributie en de handel op markten stonden onder een streng regime. Om prijsopdrijving en de zwarte markt te bestrijden, moesten handelaren exact kunnen verantwoorden wat zij inkochten en verkochten. Een "tekort" in de administratie of het niet uitventen van de gehele voorraad leidde direct tot sancties, zoals de schorsing waar deze weduwe tegen ageert. De brief illustreert de precaire positie van kleine zelfstandigen die door ziekte of pech hun vergunning — en daarmee hun enige bron van inkomsten — dreigden te verliezen.