Archief 745
Inventaris 745-392
Pagina 286
Dossier 21
Jaar 1942
Stadsarchief

Doorslag van een ambtelijke brief/memorandum.

23 april 1942. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie). Bovenaan staat een handgeschreven paraaf of naam, mogelijk "M. Müller". Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier").

Origineel

Doorslag van een ambtelijke brief/memorandum. 23 april 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie). Bovenaan staat een handgeschreven paraaf of naam, mogelijk "M. Müller". Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [Handgeschreven paraaf: M. Müller?]
VG/HG.

                    den Heer Wethouder
                    voor de Levensmiddelen,
                    A l h i e r .

85/9/2 M. 23 April 1942.

    Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat aan B.Borghol-

ter, wonende Nieuwe Kerkstraat 23, bij beschikking van Burgemeester
en Wethouders d.d. 12 December 1938 (No.811 L.M.1938) vergunning is
verleend om kramen, op een anderen dan voor de markt bestemden tijd,
op te zetten of te hebben op de markt Uilenburg. Borgholter maakt,
nu de markt Uilenburg des Zondags niet meer wordt gehouden, geen
gebruik meer van deze vergunning. Hij heeft desgevraagd meegedeeld,
dat hij op het behoud ervan geen prijs stelt, weshalve ik de eer
heb U voor te stellen wel te willen bevorderen, dat de op Borgholter
betrekking hebbende beschikking wordt ingetrokken.

                                             De Directeur, Deze ambtelijke correspondentie betreft de administratieve afhandeling van een marktvergunning in oorlogstijd. De kern van het schrijven is het voorstel om een specifieke vergunning uit 1938 van de heer B. Borgholter in te trekken. Deze vergunning gaf hem het recht om buiten de reguliere markttijden kramen te plaatsen op de markt in de wijk Uilenburg.

De reden voor de intrekking is tweeledig:
1. De zondagsmarkt op Uilenburg wordt niet meer gehouden.
2. De betrokkene heeft zelf aangegeven geen prijs meer te stellen op het behoud van de vergunning.

Het document is een typerend voorbeeld van hoe de gemeentelijke bureaucratie bleef doorfunctioneren tijdens de bezetting, waarbij bestaande regelgeving en vergunningen werden aangepast aan de veranderde omstandigheden. De historische context van dit document is zeer beladen. De brief is gedateerd april 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland.

Uilenburg en de Jodenbuurt: De markt op Uilenburg bevond zich in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De zondagsmarkt was daar van oudsher een essentieel onderdeel van het sociaal-economische leven, omdat de Joodse marktlieden en klanten op zaterdag (Sjabbat) hun rustdag hielden.

Anti-Joodse maatregelen: Dat de markt op Uilenburg ten tijde van schrijven "niet meer wordt gehouden", is een direct gevolg van de maatregelen van de bezetter. In de loop van 1941 en 1942 werden Joodse Amsterdammers steeds verder geïsoleerd. Joodse marktkooplieden werden van algemene markten verdreven en mochten alleen nog op speciaal aangewezen "Joodse markten" staan. Uiteindelijk werden ook deze markten onmogelijk gemaakt door de voortschrijdende deportaties.

De heer Borgholter: De genoemde B. Borgholter woonde aan de Nieuwe Kerkstraat 23, een straat die eveneens in de Jodenbuurt lag. Hoewel de brief een zakelijke, ambtelijke toon voert, maskeert deze de tragische realiteit van de systematische vernietiging van het Joodse leven in Amsterdam, waarvan het opheffen van de markt op Uilenburg een onderdeel was.

Samenvatting

Deze ambtelijke correspondentie betreft de administratieve afhandeling van een marktvergunning in oorlogstijd. De kern van het schrijven is het voorstel om een specifieke vergunning uit 1938 van de heer B. Borgholter in te trekken. Deze vergunning gaf hem het recht om buiten de reguliere markttijden kramen te plaatsen op de markt in de wijk Uilenburg.

De reden voor de intrekking is tweeledig:
1. De zondagsmarkt op Uilenburg wordt niet meer gehouden.
2. De betrokkene heeft zelf aangegeven geen prijs meer te stellen op het behoud van de vergunning.

Het document is een typerend voorbeeld van hoe de gemeentelijke bureaucratie bleef doorfunctioneren tijdens de bezetting, waarbij bestaande regelgeving en vergunningen werden aangepast aan de veranderde omstandigheden.

Historische Context

De historische context van dit document is zeer beladen. De brief is gedateerd april 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland.

Uilenburg en de Jodenbuurt: De markt op Uilenburg bevond zich in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De zondagsmarkt was daar van oudsher een essentieel onderdeel van het sociaal-economische leven, omdat de Joodse marktlieden en klanten op zaterdag (Sjabbat) hun rustdag hielden.

Anti-Joodse maatregelen: Dat de markt op Uilenburg ten tijde van schrijven "niet meer wordt gehouden", is een direct gevolg van de maatregelen van de bezetter. In de loop van 1941 en 1942 werden Joodse Amsterdammers steeds verder geïsoleerd. Joodse marktkooplieden werden van algemene markten verdreven en mochten alleen nog op speciaal aangewezen "Joodse markten" staan. Uiteindelijk werden ook deze markten onmogelijk gemaakt door de voortschrijdende deportaties.

De heer Borgholter: De genoemde B. Borgholter woonde aan de Nieuwe Kerkstraat 23, een straat die eveneens in de Jodenbuurt lag. Hoewel de brief een zakelijke, ambtelijke toon voert, maskeert deze de tragische realiteit van de systematische vernietiging van het Joodse leven in Amsterdam, waarvan het opheffen van de markt op Uilenburg een onderdeel was.

Gerelateerde Documenten 6