Administratief bijblad of dossiernotitie (Alg. Zaken-Model No. 14).
Origineel
Administratief bijblad of dossiernotitie (Alg. Zaken-Model No. 14). [Stempel linksboven:]
BIJBLAD VAN:
M. . No. 86/23/1 194 2
DOORGEZONDEN: 19/5.'42
[Rood potlood:]
86/23/2
[Inkt, onder het rode nummer:]
9/6/42 [onleesbaar monogram/paraaf]
[Rechtsboven:]
472
[Hoofdtekst, handgeschreven:]
Telef. med. S.Z. W.V. - G. :
m. Agsteribbe Ja 11 Mei '42 in R.W.K.
Vrijstellen van betaling m.g.
Ja 10 mei '42 v.d. Gaaspstraat
f 0.60 schuld
[Onderaan rechts:]
Smit - 7/6 '42
[Linksonder, gedrukt:]
Alg. Zaken-Model No. 14
14333-1000-7-'41-1727 Dit document is een administratief kaartje dat de afhandeling van een kleine schuld registreert. De belangrijkste elementen zijn:
- Personalia: Er wordt melding gemaakt van een "m[eneer] Agsteribbe". De familienaam Agsteribbe is een bekende Nederlands-Joodse naam.
- Locaties: Er wordt verwezen naar de Gaaspstraat (Amsterdam). Dit was een straat in de Rivierenbuurt met een aanzienlijke Joodse populatie tijdens de bezetting. Daarnaast wordt R.W.K. genoemd, wat staat voor Rijkswerkkamp.
- Onderwerp: Het gaat om een "vrijstelling van betaling" voor een schuld van 60 cent (f 0.60).
- Chronologie: Op 10 mei 1942 woonde de persoon blijkbaar nog in de Gaaspstraat. Op 11 mei 1942 wordt gemeld dat hij in een Rijkswerkkamp verblijft. Op basis hiervan wordt in juni 1942 besloten de kleine schuld kwijt te schelden. De afkorting "S.Z. W.V. - G." staat vermoedelijk voor Sociale Zaken, Werkverruiming - Gemeente. Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische afwikkeling tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Terwijl de systematische vervolging van de Joodse bevolking in volle gang was, hield de Nederlandse administratie zich bezig met het minutieus bijhouden van minieme schulden.
De vermelding van het Rijkswerkkamp (R.W.K.) in mei 1942 is cruciaal. Vanaf begin 1942 werden Joodse mannen opgeroepen voor deze werkkampen, wat een voorstadium was van de deportaties naar de vernietigingskampen die in de zomer van 1942 serieus op gang kwamen. De "vrijstelling van betaling" is hier waarschijnlijk geen daad van barmhartigheid, maar een administratieve noodzaak omdat de schuldenaar was weggevoerd en de kosten voor verdere invordering niet opwogen tegen het minieme bedrag van 60 cent.