Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van de Burgemeester van Amsterdam. 21 januari 1944. No. 20/20/20 M. 1943 4/E [handgeschreven toevoegingen]
Markten 709 [handgeschreven rechtsboven]
No.46/1 L.M.1944. Straf marktkooplieden.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten
van den Burgemeester van Amsterdam
Vrijdag 21 Januari 1944.
Op voorstel van den Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen wordt het volgende besluit genomen:
De Burgemeester van Amsterdam:
Gelet op de bepalingen van de Achtste Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechtelijk gebied, (Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, Stuk 33, No. 152 Gemeenteblad 1941, afdeeling 4, volgno.517);
Gezien het rapport van den Directeur van den Dienst van het Marktwezen, dd. 4 Januari 1944 No.20/20/20 c.M.;
Gelet op art.39 van het Reglement op de Markten;
B e s l u i t :
de marktkooplieden Frederika Boekelman, A.E.Jasterhoudt en Mevr. D.E.van Meereveld-Metsemakers, die zich alhier hebben schuldig gemaakt aan overtreding van de distributievoorschriften, met ingang van 20 Januari 1944 voor den tijd van vier maanden het recht te ontnemen een plaats op een der markten alhier te bezetten, derhalve tot en met 19 Mei 1944.
Afschrift van dit besluit zal worden gegeven aan de afdeeling Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (3 stuks).
H
[parafen]
Voor eensluidend extract,
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN [stempel in paars] Dit document is een formeel besluit van de burgemeester van Amsterdam (destijds Edward Voûte) uit de oorlogsperiode. De kern van het besluit is het opleggen van een tuchtmaatregel aan drie specifieke marktkooplieden: Frederika Boekelman, A.E. Jasterhoudt en Mevr. D.E. van Meereveld-Metsemakers.
Zij worden voor een periode van vier maanden (van 20 januari tot 19 mei 1944) uitgesloten van hun standplaats op de Amsterdamse markten. De reden hiervoor is een overtreding van de "distributievoorschriften". Dit hield in de praktijk vaak in dat er gehandeld was buiten het bonnensysteem om, of dat er sprake was van prijsopdrijving of zwarte handel, zaken die in de schaarste van de oorlogsjaren streng werden gecontroleerd.
Het besluit is juridisch onderbouwd door te verwijzen naar verordeningen van de Duitse bezettingsmacht (de Rijkscommissaris) en lokale marktreglementen. Dit illustreert hoe het lokale bestuur werd ingezet om de verordeningen van de bezetter te handhaven. Tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) was de voedselvoorziening een kritiek punt. Er was een strikt distributiesysteem met bonkaarten voor bijna alle eerste levensbehoeften. De gemeente Amsterdam had een specifieke wethouder voor 'Levensmiddelen' die toezag op de eerlijke verdeling en de naleving van de regels.
Overtredingen van deze regels werden zwaar gestraft, variërend van boetes en gevangenisstraffen tot, zoals hier, het tijdelijk of blijvend ontnemen van de vergunning om handel te drijven. Voor marktkooplieden betekende een verbod van vier maanden een direct en ernstig verlies van inkomen.
Het document weerspiegelt de bureaucratische werkelijkheid van Amsterdam in 1944: een stad onder bezetting waar de dagelijkse handel en wandel strikt gereguleerd en gecontroleerd werd door zowel de Duitse autoriteiten als het meewerkende gemeentebestuur. De namen van de kooplieden geven dit abstracte oorlogsbeleid een menselijk gezicht.