Archief 745
Inventaris 745-401
Pagina 491
Dossier 21
Jaar 1943
Stadsarchief

Ambtelijke brief / Besluitvoorstel.

Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam).

Origineel

Ambtelijke brief / Besluitvoorstel. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Handgeschreven: Imp]
[Handgeschreven: Verzonden 23/12]

VB/SV

20/74/1 M.

verlenging
tijdelijke hulpmarkten.

23 December 1943.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,

A l h i e r.

Bij besluit van den Burgemeester d.d. 8 Januari 1943 no.1055 L.M.1942, zijn de daarin genoemde tijdelijke hulpmarkten aangewezen voor ten hoogste één jaar, ingaande 1 Januari 1943.
Met ingang van 6 Juni en 1 October jl. werden respectievelijk de Spijkerhaven en het Buiksloterhamkanaal en het water van den Amstel (Westzijde) tegenover de Wevenstraat over een lengte van 30 meter, aangewezen als tijdelijke hulpmarkten van de brandstoffenmarkten (besluiten van den Burgemeester d.d. 30 Juli en 16 December 1943, nrs 534 en 987 L.M. 1943).
De in het eerstgenoemde besluit onder 1e A VIII genoemde tijdelijke hulpmarkten, uitsluitend voor Joodsche marktkooplieden en Joodsche bezoekers, welke worden gehouden in de speeltuinen op het Waterlooplein en in de Gaaspstraat, zijn met ingang van 9 Augustus jl. opgeheven (vide besluit van den Burgemeester d.d. 20 Augustus 1943 no.615 L.M.1943). Bovendien stel ik U voor de onder 1e AmXI van genoemd besluit aangewezen tijdelijke hulpmarkt op het Minervaplein, eveneens voor Joodsche marktkooplieden en Joodsche bezoekers, met ingang van 1 Januari aanstaande niet meer aan te wijzen, aangezien ter plaatse geen markt meer wordt gehouden.
Onder 1e A XII van dit besluit is aangewezen als tijdelijke hulpmarkt van de Boom- en Bloemenmarkt den Singel (Zuidzijde) tusschen de Wijde Heisteeg en het Muntplein, en wel op Dinsdag, Donderdag en Zaterdag. Hierachter worde ingevoegd de bepaling, dat die hulpmarkt op Dinsdag en Zaterdag niet vóór 10 uur voormiddag mag aanvangen.
Ik heb de eer U beleefd te verzoeken wel te willen bevorderen, dat ingevolge artikel 7 lid 2 van de Verordening op den Dienst van het Marktwezen, de bovengenoemde tijdelijke hulpmarkten, met uitzondering van de hulpmarkten, welke worden gehouden op het Waterlooplein, Minervaplein en in de Gaaspstraat (uitsluitend voor Joodsche marktkooplieden en Joodsche bezoekers), met ingang van 1 Januari 1944 voor den tijd van ten hoogste een jaar worden aangewezen.

De Directeur, * Administratieve context: Het document betreft de verlenging van de status van diverse nood- of hulpmarkten in Amsterdam voor het jaar 1944. Dit werd jaarlijks getoetst en vastgelegd door de Dienst van het Marktwezen in overleg met de burgemeester en wethouder.
* Brandstofschaarste: De vermelding van hulpmarkten voor brandstoffen (Spijkerhaven, Buiksloterham) duidt op de precaire situatie tijdens de oorlogsjaren, waarbij alternatieve locaties nodig waren voor de handel in schaarse goederen zoals hout of turf.
* Segregatie en uitsluiting: Het document is een directe getuigenis van de anti-Joodse maatregelen. Er wordt gesproken over markten "uitsluitend voor Joodsche marktkooplieden en Joodsche bezoekers".
* Deportaties: De reden voor de opheffing van de markten op het Waterlooplein, de Gaaspstraat en het Minervaplein wordt ambtelijk omschreven ("niet meer aan te wijzen, aangezien ter plaatse geen markt meer wordt gehouden"). De wrange historische werkelijkheid achter deze formulering is dat de Joodse bevolking in december 1943 vrijwel geheel uit Amsterdam was weggevoerd naar de concentratie- en vernietigingskampen, waardoor deze markten "overbodig" waren geworden. Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1941 voerden de bezetters, met medewerking van het lokale bestuur, een beleid van segregatie in. Joden mochten niet meer op reguliere markten komen en werden gedwongen hun nering te drijven op specifiek aangewezen "Joodse markten".

Eind 1943 was de zogenaamde "Endlösung" in Nederland in een vergevorderd stadium. De grote razzia's in Amsterdam hadden in de zomer van 1943 plaatsgevonden. Het feit dat de directeur van de marktdienst in december 1943 rapporteert dat de markten in de Gaaspstraat en op het Waterlooplein zijn opgeheven, bevestigt dat de Joodse wijken op dat moment nagenoeg leegstonden. De brief illustreert hoe de bureaucratie van de stad Amsterdam de logistieke gevolgen van de Holocaust administratief verwerkte.

Samenvatting

  • Administratieve context: Het document betreft de verlenging van de status van diverse nood- of hulpmarkten in Amsterdam voor het jaar 1944. Dit werd jaarlijks getoetst en vastgelegd door de Dienst van het Marktwezen in overleg met de burgemeester en wethouder.
  • Brandstofschaarste: De vermelding van hulpmarkten voor brandstoffen (Spijkerhaven, Buiksloterham) duidt op de precaire situatie tijdens de oorlogsjaren, waarbij alternatieve locaties nodig waren voor de handel in schaarse goederen zoals hout of turf.
  • Segregatie en uitsluiting: Het document is een directe getuigenis van de anti-Joodse maatregelen. Er wordt gesproken over markten "uitsluitend voor Joodsche marktkooplieden en Joodsche bezoekers".
  • Deportaties: De reden voor de opheffing van de markten op het Waterlooplein, de Gaaspstraat en het Minervaplein wordt ambtelijk omschreven ("niet meer aan te wijzen, aangezien ter plaatse geen markt meer wordt gehouden"). De wrange historische werkelijkheid achter deze formulering is dat de Joodse bevolking in december 1943 vrijwel geheel uit Amsterdam was weggevoerd naar de concentratie- en vernietigingskampen, waardoor deze markten "overbodig" waren geworden.

Historische Context

Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1941 voerden de bezetters, met medewerking van het lokale bestuur, een beleid van segregatie in. Joden mochten niet meer op reguliere markten komen en werden gedwongen hun nering te drijven op specifiek aangewezen "Joodse markten".

Eind 1943 was de zogenaamde "Endlösung" in Nederland in een vergevorderd stadium. De grote razzia's in Amsterdam hadden in de zomer van 1943 plaatsgevonden. Het feit dat de directeur van de marktdienst in december 1943 rapporteert dat de markten in de Gaaspstraat en op het Waterlooplein zijn opgeheven, bevestigt dat de Joodse wijken op dat moment nagenoeg leegstonden. De brief illustreert hoe de bureaucratie van de stad Amsterdam de logistieke gevolgen van de Holocaust administratief verwerkte.

Gerelateerde Documenten 6